Na een weekend tussen hemel en hel te hebben verkeerd, tussen onvoorwaardelijk geloof in eigen kunnen en onvoorwaardelijk ongeloof in eigen kunnen en tussen ziekte en euforie, brak maandag onherroepelijk weer aan. Dat besef sloeg des te harder in omdat ik mijn (lumineus) plan om Moulin Rouge nog eens te kijken – kwestie van de moraal er in te houden – niet ten uitvoer had kunnen brengen. ‘Tussen droom en daad…’ zou ik normaal aanvatten, maar enkel een diepe zucht kan er nog vanaf.
Bestond er zoiets als een postbodeagenda, dan stond deze dag in mijn persoonlijke postbodeagenda met dikke rode stift aangekruist. Vandaag was de dag van de waarheid. Vandaag zou blijken of ik het ook zonder peter kon stellen. De man die daarvoor doorging liet die challenge nogal pijnlijk duidelijk blijken door mijn opgewekte ‘Goeiemorgen!’ straal te negeren. Schreef hij geniale boeken, het was een man naar mijn hart. (Nu we het toch over negeren hebben: de andere jobstudent is daar ook mee begonnen tegenover mij. Daarom, en vanwege zijn algeheel voorkomen, heb ik besloten hem een Neonazi te vinden. Ik zal hem vanaf nu ook zo benaderen.) Die ochtendkreet, in veelvoud overigens, kwam er nadat ik manisch was geraakt door het aantreffen van geen enkele klachtenbrief. De hele tocht heen naar mijn werkplek had ik op een gepaste reactie gebroed, en aangezien ik niet verder was gekomen dan een meelijkwekkende kreun, was het erg fijn die te kunnen schrappen uit mijn dagschema. Wel weet ik zeker dat iemand die brieven simpelweg voor me achter houdt, maar daar kan ik mee leven.
Terwijl ik als een gekgemaakte zombie brieven stond te sorteren (Een nieuw systeem!), bespraken mijn collega’s het weekend. Aan die schare had zich een vrouw toegevoegd die ik onbeschreven zal laten. Niet enkel uit respect voor haar, maar vooral omdat ze niet in nette woorden te vatten valt. Een koe. Allemaal hadden ze dit weekend sport gekeken, waardoor mijn kansen om mee te converseren en misschien wel een vertrouwensband op te bouwen, geheel vervielen. Zaterdag was eveneens zowat iedereen aanwezig geweest op de trouwerij van een arbeidsvriend. Ook daar moest ik – gelukkig, ik zeg het er voor de goede orde maar bij – op ontbreken en kon het zo wederom vergeten om verder kennis te maken met mijn tijdelijke lotgenoten en misschien weetjes en handige tips uit te wisselen.
Maar ik dwaal af van de essentie: het postwezen. Het moet gezegd dat ik op tijd klaar was met het voorbereidend werk. Als laatste, ook dat wil ik eigenlijk gezegd hebben want hier mag in geen beding een talent uit blijken, maar toch op tijd. Theoretisch op tijd dus, want praktisch gezien was ik in de ogen van de professionals waarschijnlijk rijkelijk te laat. Dat noopte me alleszins niet minder tot euforie. Huppelend en zingend bracht ik mijn zakken weg, en bracht zo een tafel ten val. Blijkbaar zijn ze bij de post erg gehecht aan hun meubilair, want in no time stond zowat het hele nog aanwezige deel van de clan rond mij om uitleg vragend en wat nog meer. Weg manie.
Nu de afwezigheid van een lunchpauze niet meer opvalt (hoewel ik vandaag heb ontdekt dat die wel niet wordt betaald – er hangt bloed aan je vingers, Johnny Thijs) begon ik meteen na het verdeel en heers van de ochtend aan mijn ronde. Alleen. Wat er eigenlijk vooral op neerkomt dat je geen geforceerde conversaties draaiende moet zien te houden. Om maar te zeggen: de spanning was nou niet te snijden. Enkel helemaal op het einde, toen ik triomfantelijk kwam binnengereden in het postkantoor, was er een nogal hevige botsing tussen mijn beleving en de realiteit. Zonder uurwerk had ik berekend dat ik de klus eerder pijlsnel had geklaard en mezelf dus oeverloos had overtroffen. Het contrast met de eenzame vrouw die alleen nog op mij zat te wachten, was dus gigantisch. Ze had de lichten al half gedoofd om het effect wel helemaal op een dramatische spits te drijven. De analyses en nabesprekingen afwerend, besloot ik mezelf toch een pluim te geven. Ook na een blik op de klok vond ik van mezelf dat ik het goed had gedaan, mijn capaciteiten en vooral tekortkomingen indachtig. Moe maar voldaan keerde ik dus huiswaarts, van een geslaagde missie. Het postwezen kon weer zestien uur mijn kloten kussen.
maandag 7 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten