zaterdag 26 juli 2008
Voor achter onder boven tussen langs omheen over de post (19)
Natuurlijk was er net na mijn laatste (juist) geposte brief de verwachtte euforie. Ik geloof dat ik wel even gekreund heb, en ik heb een paar sms’jes rondgestuurd over het nooit meer willen zien van een brievenbus. Geen traan heb ik gelaten en er is ook niemand verrot gescholden. Ik heb op het postkantoor zelfs nog uitgebreid staan luisteren naar het levensverhaal van een bediende die op mij zat te wachten. Had enkel het middelbaar afgemaakt, kantoor, en al twee kinderen gekregen. Op het eerste zicht een leven het niet waard door mij geleefd te worden, bedacht de teruggekeerde hautaine nicht in mij al meteen. Ik glimlachte en stemde met haar plan in om de kinderen toch naar ASO te proberen krijgen.
Een eindbalans. Voor mij hoeft het alvast niet. Het engagement dat ik voor postbodes was gaan voelen, is alweer volledig verdwenen. Ze moeten het zelf maar uitzoeken. Ik heb geen hekel aan Johnny Thijs, toch niet buitensporig. Meer nog: Ik zoek de correcte schrijfwijze van zijn naam op via google en vind een interview waarin hij iets zegt over in slaap vallen in de zetel. Een man naar mijn hart die dat toegeeft. Wel ben ik nog linkser geworden dan voorheen. Voeling met het proletariaat, hoe goor dat ook mag klinken. Ik voel me een sociaalprogressief politicus die zijn centrumpolitiek denkt te kunnen goedpraten door een minieme tijd arbeiders achterna te hollen. Gelukkig behoor ik niet tot de politieke klasse. Voorheen riep ik enkel linkse propaganda, en dat zal nu enkel verbeteren. Mensen die veertig jaar geestdodend werk moeten verrichten, waartoe de post rondbrengen weldegelijk behoort, moeten goed verzorgd worden door de samenleving. Het laatste wat we wel moeten doen, is ze pesten met een onzeker pensioen, verminderde sociale zekerheid en nog slechtere arbeidsvoorwaarden. De blok erop.
Samen met die herwonnen emoties, want dat zijn ze zeker, valt het besef dat ik ze ooit zal verliezen. ‘Wie jong is en niet links, heeft geen emoties. Wie oud is en niet rechts, geen verstand.’ Een zinsnede van een uitgerangeerde gefrustreerde Hugo Coveliers (waar is de tijd?) die weliswaar op maar weinig slaat, maar waar toch grote massa’s onderhevig aan zijn. Weinigen houden het vol om tot op de oude dag te kiezen voor een algemene solidariteit, boven de eigen zekerheden die rechts hen dan denkt te bieden. Eerst verrechtst men, om op het sterfbed te beweren plots in een opperwezen te geloven. De ultieme zekerheid voor later, mocht het sprookje toch waar zijn. Ik troost mij met mijn familie als links bastion, waar zowat niemand de idealen effectief aan de wilgen heeft gehangen. Jammer dat ik soms zo ver van hen af lijk te staan, wat mij geen recht geeft op die zekerheid. Dan maar bedenken dat er sowieso absoluut niets aan valt te doen, en het lot afwachten het enige is wat je rest. Altijd.
En geld verbrassen. Als er nou wat moet gebeuren, is het dat wel. Ik groet u.
donderdag 24 juli 2008
Naast de post (18)
Dat de miserie totaal is in deze, is algemeen geweten. Het enige wat eigenlijk tot vrolijkheid stemde was te merken dat de Vlaamse radicalisering nog geen schlagers of goedkope techno had opgeleverd. Zolang Laura Lynn (Sabrina Tack) en consorten niet op deze thematiek springen, zal het nog wel meevallen met dat fundamentalisme bij de Hardwerkende Vlaming. “We grijpen de Walen bij hun kragen/ Iedereen een gezinswagen!” en “De walen zo lui en loom/ ze kunnen fluiten naar hun geldstroom” zijn nog geen strofen waarvan Anne De Baetzelier beweert dat ze in het collectief geheugen staan geprent. Enkel de malaise die de liefde wordt geheten krijgt de handen van de Tien Om Te Zien toeschouwer op elkaar, degenen die Vlaanderen heet nog (net) niet. K3, de drie deernes die nu wel definitief hun glans lijken te hebben verloren, hadden wel een onbeduidend liedje dat “De Revolutie” heette. Daarmee gaven de tekstschrijvers eindelijk te kennen door te hebben dat het geen ene moer uit maakt welk zinnetjes ze boven het immer goedkope deuntje laten uitkomen, als het maar mee te kelen valt.
Daarnaast was de opvallendste verschijning die van Willy Sommers. Niet omdat hem, ongetwijfeld door derden, een witte broek een zalmroze jasje was aangemeten, maar omdat hij ook daarnaast wel de hele tijd door het dolle heen leek. Hij mocht dan wel een nummertje brengen van Jos Van Oosterwijck, hoewel zijn populariteit daarvoor lang niet meer toereikend is, het geld wat hij daarmee binnen haalt valt waarschijnlijk in niets te vergelijken met dat wat hij greep toen hij het hele programma nog mocht presenteren. Het was bijzonder tragisch te zien hoe een man zo blij kon zijn met een troostprijs. Daarenboven moest hij naast het brengen van zijn schlager ook een gesprekje houden met Elke Vanelderen, die naast een onuitstaanbare uitstraling met zich mee te dragen ook de job van Willy heeft overgenomen, over zijn hoogtepunten van de afgelopen twintig jaar waarin dit programma zich al van zomer naar zomer naar kerstspecial sleept. Ik probeerde een blik te ontwarren waarin Sommers te kennen gaf hoe hij haar het liefst zou attaqueren. Tevergeefs, Willy is eindeloos goed opgevoed.
Op enkel persoonlijke triestesse bouw je natuurlijk geen programma. Gelukkig waren er ook een dozijn acts die, elk op hun eigen manier, tot wanhoop wisten te drijven. Mijn probleem daarmee is vooral dat het lachen me erom is vergaan. Terwijl de huisgenoten over de grond rollen van het lachen, kan ik enkel maar denken dat deze troep het best verkoopt in Vlaanderen. (Dat is natuurlijk niet waar. Ook ik ga plat bij het zien van dat soort mensenleed.) Gelukkig leven we nog in België, is dan het enige wat tot vrolijkheid stemt. De rol die Regi in deze cirque voor zijn rekening neemt, wordt ook steeds groter. Zijn gelijkenis met een willekeurig boerderijdier staat hem niet in de weg dat hij nadat hij in de laagste regionen van de popmuziek zowat alles had bereikt, nu ook voet aan wal lijkt te krijgen bij de zelfverklaarde kwaliteitsmuziek. Deze keer was het Tom Helsen die samen met hem een nummer had gemaakt en dat ook per se wilde brengen. Ik heb een cd van die jongen, schoot mij plots te binnen. Als Bart De Wever straks met de verbranding van al wat Waals en brandbaar is begint, heb ik alvast iets om de boel mee aan te maken.
woensdag 23 juli 2008
Voor de post (17)
Na bijna vier weken dagelijks op dezelfde plek te zijn verschenen, bouwt iedereen een reputatie op. Men weet nou wel een beetje wie je bent, wat je kan, en in mijn geval vooral wat je niet kan. Eindelijk moeten zo de meeste postbodes uit E. hun stereotiepe kijk op mijn en de andere jobstudenten laten varen. Voor sommigen ben ik nu al meer de nichterige lul dan student, een pak dat ik met veel meer graagte aan trek. De ideeën die zij over studenten hebben, zijn dan ook niet van de poes. Te begrijpen ook. Tijdens de zomermaanden, als postbodes amper wat om handen hebben, komen er plots jongens en meisjes opgedoken die tegen een grotere vergoeding dan die jij na jaren noeste arbeid krijgt, hetzelfde werk denken te kunnen. Daar gaat je beroepseer. Elke fout die een student zo maakt, wordt met een vergrootglas tegen het licht gehouden en uitgebreid geëtaleerd voor het hele kantoor. We mochten zeker niet denken dat we het even goed als hen deden, was het idee daarachter. Helaas had die strategie een nogal middelmatig effect op mij, aangezien ik van de eerste dag mijn gebrek aan talent maar wat graag in de verf zette. Minachting werd vermoed. Zo krijg je postbodes die vermoeden dat er op hen wordt neergekeken door mensen waar ze vaak zelf op neerkijken. Dat creëert een sfeertje waarin om ter hardst op jobstudenten werd afgegeven, hetzij door ze openlijk in het gezicht uit te lachen, hetzij door ze luidkeels te imiteren of wat dan ook. Ik giechel nogal veel, moet u weten, en dat doe je makkelijk na.
Interessant daar aan waren de jongere postbodes. De oudere generatie had het niet voor ons, dat was klaar. Van de nieuwelingen zou je daarentegen verwachten dat een deel van hen aansluiting bij ons zoekt. Wij hebben meer raakpunten met postbodes van vijfentwintig jaar dan hun (veel) oudere collega’s, zou je denken. Toch waren zij het die misschien wel de gemeenste opmerkingen maakten. Zij lieten, relatief gezien allemaal, geen kans onbenut om ons en plein public onderuit te halen. Dat bleek namelijk een erg makkelijke manier om hun positie in de groep te verbeteren, die ze sowieso met hun jonge leeftijd nog moesten zoeken en vinden. Vreemd, vond ik dat dan weer. Waren de habitués echter al vertrokken, tonnen ervaring en wijsheid achter zich aan slepend, gingen de allernieuwste postbodes zich tegenover ons gedragen zoals je van andere jongeren zou verwachten. Er werd zowaar gepraat over dingen waar jonge mensen over praten, geloof ik.
Veel is het niet. Een verschijnsel dat vaak voorkomt, en van ver al te voorspellen valt, toch alleszins waar de mens in groep geacht wordt samen te werken. Dat maakt het eng. Alle mechanismen die optreden in een groep samen, werken bijzonder verstikkend voor de geest. Je wordt haast gedwongen dingen te doen waar je je als individu niet per se in kan terug vinden. Dat is een van de redenen waarom ik er alles aan zal doen om niet op een plek als het postkantoor van E. terecht te komen. Je hele carrière slijten in een groep mensen waar jij er geen enkele van mocht kiezen, is bijzonder gevaarlijk voor de menselijke geest.
dinsdag 22 juli 2008
Achter de post (16)
‘Vijftien jaar geleden zou het niet waar zijn geweest. Ze zouden het zelfs niet hebben moeten proberen.’
‘Een schande. Een regelrechte schande’
‘Arm Vlaanderen.’
‘Ik ben eens benieuwd wat hij nu gaat doen.’
‘Ja ja.’
‘Ik ben eens benieuwd...’
‘Vroeger zou dat gewoon niet kunnen.’
‘Een schande.’
‘Ik ben eens benieuwd…’
(stilte)
‘Ons Rosa.’
(gelach)
‘Ja ja.’
‘Mocht je gisterenavond wel?’
‘Nee nee, natuurlijk niet. Waarom zou ze nu wel willen?’
‘Ja ja.’
’Hoe gaan wij er hier ooit doorgeraken?’
‘Het zal weer vijf uur worden.’
‘Als we vanavond al klaar raken.’
‘Ik zal maar al eens naar huis bellen om te zeggen dat ze het avondeten voor mij apart laten.’
‘Verdomme.’
‘Ik zou mee moeten gaan sporten met die meisjes.’
(stilte)
‘Ons Rosa.’
’Ik zou zelfs niet willen.’
‘Bwoh…’
‘Een schande. Een regelrechte schande.’
‘Je had vroeger maar beter moeten kiezen.’
‘Inderdaad ja. En ik had zoveel keuze nochtans…’
(gelach)
‘Ja ja.’
‘Maar nu blijf ik bij haar. Ik ga niet meer naar iemand anders.’
‘Ik zou u wel aan een vriendin willen helpen.’
‘Dat is niks voor mij.’
(gelach)
‘Arm Vlaanderen.’
(stilte)
‘Nog iets gedaan?’
‘Gisteren ben ik bij die van ons gebleven.’
‘Waarom dat?’
‘Ik word ook al een dagje ouder, ik kan niet elke dag paraat staan voor jan en alleman.’
(gelach)
‘Maar eergisteren was het raak. Het was heel gezellig. En daarna nog gaan kaarten met de maten.’
‘Heb je kunnen winnen?’
‘Ik heb niets gewonnen of verloren. Het ging gelijk op.’
‘Een schande. Een regelrechte schande.’
‘Ik heb de hele avond binnen gezeten. Zoals altijd met die van ons.’
‘Heb je naar Tien Om Te Zien gekeken?’
‘Ons moeder wel. Ik ben in de veranda gaan zitten.’
‘Tien Om Te Zien. Tien Om Te Zien. Tien Om Te Zien’
‘Arm Vlaanderen.’
‘Hoe gaan wij er hier ooit door geraken?’
‘Ik zou het niet weten.’
‘Ja ja.’
‘Ons Evy.’
‘Den Evy.’
‘Hoe is het met u?’
‘Goed goed.’
‘Dat vind ik nu eens een mooi meisje.’
‘Daar ben je toch te oud voor.’
(gelach)
’Bwoh…’
‘Die heeft tenminste wat van voor.’
‘Dat is waar. Er lopen er hier andere rond.’
‘Ben je nog gaan sporten, Evy?’
‘Nee nee het was te goed weer.’
‘Oooooh…’
‘Ik zou eens moeten mee komen doen.’
‘Jij bent daar toch te oud voor.’
(gelach)
(stilte)
‘Het zou niet waar geweest zijn.’
‘Ik ben blij dat ik aan mijn laatste maanden bezig ben.’
‘Wat ze nu zijn aan het doen, is wraakroepend.’
‘Arm Vlaanderen, denk ik dan.’
…
maandag 21 juli 2008
Over politiek - Belgicum
Dat woord is gestolen. Zoiets moois kan ik zelf niet bedenken, helaas. Was vorig jaar de titel van een fototentoonstelling en –boek van Stephan Vanfleteren. Een naam voor dit land die de taalgrens doet vergeten. Ook zijn foto’s doen dat. De ongetwijfeld gigantische verschillen ten spijt: Vlamingen en Walen dragen nog steeds hetzelfde geluk, dezelfde miserie. Het is Bart De Weever vast te sentimenteel, die zwicht enkel voor Beieren.
Op deze nationale feestdag lijkt de politiek weer even te zijn bedaard. Of: Ook al is de vooruitgang nihil, het is lang niet zeker dat de crisis van de maand morgen nog de voorpagina’s haalt. Een dopingschandaaltje in de ronde van Frankrijk zou al genoeg kunnen zijn. De frequenties van beiden zijn alleszins zeker aan elkaar gewaagd. Wat ook, vorige week was het nog al crisis wat de klok sloeg. Nu de inhoud weer even naar de achtergrond te zijn gedrukt, begint daarbij ook steeds meer vormelijkheden op te vallen. Zoals Mark Eyskens die voor een CD&V-hoofdkwartier wordt weggedrukt om – godbetert – de jongerenvoorzitter (zijn naam is het onthouden niet waard, zegt het gezond verstand) aan het woord te laten. Dat moet even slikken zijn geweest voor de minister van staat. Hij zat midden in een volzin, waarover hij ongetwijfeld de avond ervoor al even had nagedacht, toen hij plotseling de camera’s werd ontnomen om ze te zien worden gericht op het hoofd van dat ukkie. Ter zake, heet zoiets. Die jongen had namelijk wel wat beters te bieden dan de nuance en verantwoordelijkheidsgevoel van Eyskens. Hij had het over stekkers en laatste kansen, dat soort lekkers.
Na een jaar zou je verwachten dat begrip voor de andere partij eindelijk haar intrede kan maken, maar dat zit er niet meteen aan te komen. Ook Peter Vandermeersch gebruikte de rioolkrant die hij tegenwoordig in handen heeft om na het vermeende ontslag van Yves Leterme enkel en alleen de Walen de schuld te geven. In het Frans, dat wel. De weinige nuance die er in zijn lijf is achtergebleven houdt hij wel voor De Standaard, zoiets bespaar je maar beter het gewone volk. Als er niet gauw een definitieve oplossing komt voor dit land, wat tegenwoordig meer een probleem lijkt dan wat anders, hebben de Vlaamse media een zware schuld te dragen in de radicalisering die nu speelt in de Vlaamse huiskamers. Ontevredenheid en milde frustratie heeft maar erg weinig nodig om om te slaan in blinde haat, dat leerde ons de geschiedenis alreeds. Ook al zitten we vast in een goed zittend Europees maatpak, er is geen enkele natuurwet die zegt dat zo’n omslag nu geheel uitgesloten is. Duidelijk uitleggen dat Leterme als politicus is mislukt, en niet als premier, is daarom nodig. Hij heeft zich niet stukgebeten op zijn Waalse onderhandelingspartners, die zo makkelijk de zondebok kunnen worden toegeschoven en de premier het martelaarschap toekennen, maar op zijn partij en kartelpartner. De snobs moeten er Le Monde maar op nalezen, de anderen het persbericht dat daaromtrent werd verspreid. Ze zitten niet helemaal op de waarheid, maar de idee heeft zeker wel wat. Met een separatistische kartelpartner aan hun zijde werd de CD&V in een mum van tijd een partij die zich daar enkel van distantieert door het omstandig en veelvuldig mede te delen. Je zou het anders niet zeggen. Leden van vooral de vorige generaties die zich tegen dit standpunt verzetten worden nadat ze ook door de partij monddood zijn gemaakt nu ook verzwegen door de media. Zo komt meteen misschien wel het enige wezenlijke verschil tussen de oude CVP en de CD&V naar boven. Veel is het niet, maar je koopt er monsterscores voor.
Ondertussen werden drie Waalse onderhandelaars aangesteld door de koning. Ook wel een beetje door Yves Leterme, de man die dolgraag premier wilde worden, en nu hij het is niets liever doet dan met deze functie te jongleren. Onduidelijk is wanneer hij het ambt nog uitoefent, nog vager is echter wat hij dan precies uitvreet. Zo klaar als een klontje is dan weer wel dat de uiteindelijke oplossing niet uit de hoed van een van deze heren zal komen. Daarvoor zijn ze te laag in rang bij de drie grootste Franstalige partijen uit welke ze werden gerekruteerd en niet Vlaams, wat later onoverkomelijk zal blijken. Dat toont meteen ook de spagaat aan waar het Vlaams kartel zich de voorbije dagen in wrong. Enerzijds vroeg CD&V om Frantstaligen in de ring te sturen, met als argument dat de Vlamingen nu wel hard genoeg hadden gewerkt aan een compromis. Iedereen wist dat daarmee enkel tijd werd gekocht, want de christendemocraten zouden het nooit pikken dat er een oplossing werd gevonden waarbij Yves Leterme geen glansrol kon worden toebedeeld. Hoewel het kartel hiermee dus duidelijk de zaak enkel tijdelijk lijkt te willen ontmijnen, koppelt N-VA aan deze zet toch een definitieve deadline vast. Als de onderhandelaars tegen begin augustus geen uitzicht kunnen geven op garanties en ander zekers, stappen zij uit de regering. Voor zover ze daartoe in staat zijn alleszins.
Zo praat CD&V/N-VA in tegenstelling tot het begin van vorige week eindelijk eens uit twee monden. CD&V vond een manier om de crisis voor even te ontmantelen, en was daar best trots op, N-VA probeert die oplossing nu te torpederen. Krijg je een christendemocratische volkspartij waarin een deel van de senatoren dreigt over te stappen naar de kartelpartner en een ander deel laat weten niet meer te begrijpen waarmee diezelfde kartelpartner bezig is. Jammer is dat. Nu N-VA zich eindelijk opmaakt het schip, zowel regering als kartel, te verlaten, wordt duidelijk dat CD&V daarna niet van alle miserie zal verlost zijn. Achterblijven zullen hardliners binnen de partij, waarmee het veel moeilijker samenwerken zal zijn dan met wat tot nog steeds een andere partij was. Ook na het verdwijnen van Bart De Wever onder de kiesdrempel, zal het voor de christendemocraten moeilijk blijven een compromis te sluiten met Wallonië.
Dat maakt het voor Yves Leterme en de zijnen ook minder aantrekkelijk om N-VA meteen over boord te gooien. Veel zou het toch niet oplossen. Het moment waarop De Wever Jean-Marie Dedecker zal moeten smeken om verregaande samenwerken is dus nog niet voor vandaag of morgen. Zoals alles, misschien wel. Voor nieuwe bewegingen lijkt iedereen te willen wachten tot na de verkiezingen van 2009, wanneer duidelijk zal worden welke strategie het meest geapprecieerd zal worden door de kiezer. Het hele spel stilleggen tot dat moment is geen optie, en dus zullen we ons hoogstwaarschijnlijk nog tot die datum van crisis naar crisis moeten slepen. Al dan niet met N-VA. Goed bestuur is tot dan sowieso uit den boze, laat staan een maatregel waar iemand wat aan zou hebben.
zondag 20 juli 2008
Onder de post (15)
Vandaag had ik een aangetekend pakje voor hem. Toen ik in het postkantoor zijn naam en adres op de antwoordkaart had moeten noteren, was zijn beeltenis al met veel bombarie door mijn hoofd geschoten. Ik had er enkele flauwe grapjes over gemaakt tegen een andere jobstudenten en aangroeiende vriendin, over hoe veelbetekenend dit pakje zou blijken te zijn in mijn leven. Zo keek ik erg uit naar het vluchtige gesprekje dat ik met hem zou mogen voeren, ook al zou de diepgang ervan zich hoogstwaarschijnlijk beperken tot het nummer van zijn identiteitskaart. Dromen stond daarom niet minder vrij.
De straten die op mijn parcours voor de zijne lagen, werden vandaag door mij met nog minder oplettendheid dan gewoonlijk het geval was behandeld. Toen ik eindelijk de brievenpost kon bovenhalen die voor hem en zijn straatgenoten bestemd was, werd mijn pessimistisch voorgevoel helaas bevestigd: ik moest eerst de even nummers afhandelen vooraleer ik zijn oneven huisnummer op mijn bord zou krijgen. De idee om meteen naar zijn huis toe te rennen werd – net zoals hetzelfde idee dat ik had toen ik nog in het postkantoor stond – afgeschoten. Na drie weken was enig professionalisme mij niet vreemd.
Eindelijk aangekomen bij zijn huis, staat hij zoals altijd weer in zijn voortuin. Even denk ik dat hij me hier opwachtte, toen ik daarnet zijn huis passeerde aan de overkant van de straat was hij nog binnen, maar die gedachte doe ik af als larie.
‘Ik heb een pakje voor u,’ probeer ik met mijn meest innemende glimlach.
‘Oh, dat is vriendelijk van u,’ antwoordt hij. Vriendelijk van mij…
Omdat ik zijn identiteitskaart moet hebben gezien voor ik hem het pakje mag overhandigen, vraagt hij me even mee binnen. Die kaart zit ver, blijkt. Terwijl hij naar boven vertrekt, om het komende kwartier niet terug te komen, bestudeer ik zijn interieur. Nichterig, zoals zijn stem, met als hoogtepunt uit tijgerprint opgemaakte kussentjes in het salon. Hij heeft zijn kaart gevonden, roep hij, en meteen erachteraan of ik naar boven wil komen. Mijn hart springt op, helemaal zoals het moet. Ik probeer me in het mate van het mogelijke klaar te maken voor de late voormiddag van mijn leven, en vraag me nog gauw af of ik mijn postfiets niet even vast moet zetten. Nog voor ik een beslissing kan nemen, roept hij me nog een keer en storm ik de trap op, alsof ik daarnet nog op het punt stond de belangrijkste dag uit mijn hele leven mis te lopen.
Aangekomen op de eerste etage, meteen naar de slaapkamer, raak ik even in paniek door het bed dat geheel is ingepakt met de tijgerprint van daarnet. Dat hoefde voor mij nou ook niet. Gelukkig, en ook wel deels verwacht, wordt een deel van dat blijkbaar onvermijdelijke motief onherkenbaar gemaakt door het lichaam van mijn Griekse god. Zijn handgebaar zowel negerend als beantwoordend breng ik mijn lippen naar de zijne, niet nadat ik me van mijn pet en bodywarmer van de post heb ontdaan. We kussen zoals het onbekenden betaamt: onhandig maar daarom niet minder gemeend. Daarna gaat het allemaal wat snel voor mij, en vraag ik, om verwarring te vermijden, wat mijn voorgangster zoal presteerde. Dit met een hese, fluisterende stem, om de passie en het vuur en de roes van het moment en wat nog meer er niet helemaal uit te halen. Een voorgangster heb ik hier blijkbaar niet, wat mij Els, de vrouw die door sommige mensen op mijn ronde wordt gemist, voor de eerste keer doet ontstijgen. In mijn hoofd wordt er naarstig geturfd.
Na een kwartiertje verder te hebben opgebouwd en geknutseld aan iets wat groots zou moeten worden, hebben we beiden een min of meer aangename positie gevonden en is hij er bovendien in geslaagd Celine Dion aan te zetten. Protest lijkt zinloos en ik concentreer me verder op wat ik denk dat er van me verwacht wordt. Zonder de kans te hebben gekregen enige voorbarige conclusie te formuleren op dat vraagstuk, voel ik een pijnsteek ter hoogte van mijn kont. Blijkbaar wordt er hier gehandeld zonder enige samenspraak, want het blijft niet bij die ene mogelijk door de rand van een ongelukkig geplaatst nachtkastje veroorzaakte deuk. Al snel volgt er een reeks opeenvolgende en van kaliber verschillende stoten richting mijn achterste, die zo ook de cadans aangeven waarin onze beide lijven, die ondertussen verstrengeld heten, en occasioneel ook even het bed op mee gedijen. Nog net kan ik het geplande gegil vervormen tot hartstochtelijk gekreun en wordt de pijn schijnbaar vervangen door genot.
Zo gaat het nog zeker twintig minuten door, met af en toe een kleine rustpauze, tot ik duidelijk voel dat er naar een hoogtepunt wordt gewerkt. Niet enkel wordt het ritme opgedreven, maar schakelt de man waarvan ik me tegen dan de naam niet meer kan herinneren over van kreunen op gillen. Ik heb bijzonder weinig nodig om daarin mee te gaan, en zo kan ik eindelijk de pijn uitschreeuwen. Heel even, want na nog geen halve minuut houdt hij het alweer voor bekeken en laat zich zwaar ademend in het tijgervel vallen. Met graagte volg ik zijn voorbeeld en zo liggen we roerloos naast elkaar, hijgend en puffend met zijn identiteitskaart tussen ons in.
‘Moet jij geen post meer bezorgen vandaag?’ vraagt hij na een tijdje.
In de zucht die ik daarop slaak meent hij een bevestiging te herkennen, hoewel dat misschien wel alles behalve is wat ik wil uitdrukken, en gooit me mijn bodywarmer toe. Ik denk mezelf te vermannen, sta op en kleed me in stilte aan. Van dat moment maakt hij gebruik Celine Dion, die naar haar gewoonte boven alles uit was blijven zingen om te wisselen voor de Spice Girls, wat ook voor mij de andermaal wel door mij obligaat bevonden intimiteiten achteraf overbodig maken. Ik besluit het huis zo snel als mogelijk te willen verlaten, zonder nummer van de identiteitskaart, handtekening of welke herinnering dan ook.
Op het einde van de straat bel ik het meisje waartegen ik daarnet nog had gesproken dat hij de man van mijn leven zou worden na de overhandiging van het pakje. In de hoorn begin ik vreselijk hard te lachen, en nadat ik bedenk dat er geen volzin zou volgen sluit ik maar af. Echte vrienden hebben geen woorden nodig, moet zij zich maar herinneren. Tegen een muurtje gezeten maak ik het pakje dat ik uiteindelijk ook vergat achter te laten open. Nog meer tijgermotief, voor op de wc-bril en de spuugwitte vleugel.
donderdag 17 juli 2008
Onder de post (14)
Na een verse kop dampende koffie die hem definitief en geheel doet ontwaken, gaat hij aan de arbeid. Eerst dient hij zich door de abonnementen van tijdschriften en kranten te werken. De verscheidenheid van de mens komt in al haar grandeur langs. Paardrijden, postzegels, Chinese literatuur,…geen onderwerp zo gek of er is een dag-, week- of maandblad aan opgehangen. Desondanks is dit nog maar een voorproefje van wat de eigenlijk post zal brengen. Voorbereidend op het bedelen van straks, wanneer de zon zich al even heeft kunnen laten zien, wordt alles wat in een enveloppe of pakje te krijgen valt al per huisnummer gesorteerd. De hele menselijke boetiek trekt voorbij. Aankondigingen van geboortes, trouwpartijen en andere feestelijkheden, maar ook gerechts- en doodsbrieven zijn verplichte kost. Tijdens de zomermaanden worden deze gelukkig ook verzacht met zonnige groetjes van over de hele wereld en brieven van kinderen die voor de eerste keer zonder ouders begeleid de wereld intrekken. Nadat deze allemaal op de juiste plek (in het postkantoor nog maar) zijn beland, begint het grotere werk. Ook pakjes in alle denbare soorten en gewichten, moeten terechtkomen op het juiste adres. De postbode doet zijn uiterste best al dat fraais in zijn zakken te laden, en anders moet het noodgedwongen mee met de auto.
Ook al heeft hij deze ochtend, nog niet zo erg lang geleden dus, flink ontbeten, na het sorteren van de post maak de bezorger ervan even tijd voor wat lekkers. Bij alweer een kopje koffie, eet hij een zoete koek of misschien wel iets gezonds. Hij praat bij met collega’s over het postwezen of neemt rustig even de verse krant van vandaag door. Na dit moment van rust, breekt het hoogtepunt van zijn werktijd aan: hij vertrekt op ronde. Alvorens nog een laatste keer te controleren of hij alles wel bij heeft, begeeft de potbode zich onder een nog kraakheldere hemel te fiets naar de straat waarmee zijn parcours aanvangt.
Het uitdelen begint. Brief per brief, straat per straat, postzak per postzak zorgt hij ervoor dat elk schrijven bij de juiste mensen terecht komt. Komt er iets boven wat voor een heel ander adres blijkt te zijn dat hetgene waarvoor hij zich op dat moment bevindt, fiets hij even fluitend terug om het alsnog correct af te kunnen geven. Tijdens dit gebeuren stapt hij niet enkel af als er een aangetekende brief of pakje aan de deur moet worden bezorgd, maar maakt hij ook ruim tijd om een praatje te slaan met de mensen die zijn pad kruisen. Soms met een kopje koffie of misschien wel een borrel, altijd goedlachs. Een postbode is meer dan bezorger van brieven, maar draagt zo een erg belangrijke maatschappelijke rol. Hij is misschien wel de barometer van de tijd. Als er iets niet in de haak zit, zal de postbode het als eerste vernemen. Aan alle mooie liedjes komen echter ook een eind. Na enkele uurtjes onderweg te zijn geweest, blijken alle fietszakken plots leeg te zijn geraakt. De postbode kan terug naar het hoofdkwartier, waar hij zijn soortgenoten weer aantreft. Nagepraat wordt er zeker, over de belevenissen en voorvallen van die dag, er is ten slotte tijd genoeg. Zo heeft de postbode zelfs na een uitgebreide nabespreking, nog een hele middag voor zich waarin hij nog kan bezighouden met al het denkbare. ’s Avonds moet hij wel iets vroeger onder de wol dan anderen, want de volgende dag begint weer even vroeg.
Dream on.
woensdag 16 juli 2008
Onder de post (13) – over politiek
Gelukkig maar, zou je kunnen denken. Wat de politieke klasse op dit moment het minst van al kan gebruiken is niet enkel de adem van het volk in hun nek voelen maar hem ook nog eens zien aangewakkerd door betogingen en opstandjes. Fakkels en hooivorken, dat werk. Op die politieke elite na blijft iedereen doen wat er van hem verlangd wordt. Een zegen, waar in Oost-Europa heftig voor zou moeten worden gebeden, maar ook een vloek. Het zorgt ervoor dat bewindslieden (wie voelt er zich aangesproken?) hun landgenoten nog steeds enkel als kiezers blijven behandelen, en niet zozeer als mensen. Kiezers moeten enkel gewonnen worden, voor een partij en haar programma. Daar zijn alom bekende strategieën voor die nu zowat allemaal worden toegepast door een of meerdere politieke partij. CD&V speelt op principes en stand houden, open-vld en sp.a proberen zoveel mogelijk te zwijgen of geven enkel te kennen bereid te zijn mee te willen werken aan een oplossing, want willen zich niet verbranden, en aan Franstalige kant maakt niemand zich bepaald op om toe te geven. Bij een achterban valt daarmee te scoren, maar oplossingen biedt het allerminst. En daar zijn mensen dan weer wel in geïnteresseerd. Mensen willen in tegenstelling tot kiezers geen symbolen zien binnengehaald, mensen willen oplossingen. Aan het eind van de maand willen ze nog iets overhouden op de bankrekening, ze willen dat hun kinderen kwalitatief onderwijs kunnen genieten en een degelijke sociale zekerheid. Alles belave willen ze die gezinswagen aan transfers naar Wallonië die hen voor de ogen wordt gehouden
Dat besef ontbreekt volledig. Ook al staat er in elke verklaring die wordt afgelegd wel wat te lezen over de echte problemen van de mensen, niemand doet er wat aan. Iedereen blijft in de weer met dikke vissen, koelkasten en onverwijlde splitsingen. Op Kris Peeters na. Die slaagt er met zijn Vlaamse regering in verder te blijven werken alsof er niets aan de hand is. Hij blijft beslissingen nemen die goed zijn voor de mensen. Ook al heeft hij het daarmee bijzonder makkelijk dankzij geldelijke overschotten en ander Vlaams fraais, hij kan daar mee scoren. Nu hij zich ook actief begint te moeien met de communautaire onderhandelingen, die hij zo probeert terug te brengen tot hun essentie, lijkt zijn pad wel geëffend. Wie er nu ook aan zet komt, op het einde zal het toch een christendemocraat moeten zijn die het eindcompromis vastlegt. Verkiezingsresultaten valleen ook na een jaar nu eenmaal niet helemaal weg te cijferen. Nu Yves Leterme door velen als politiek dood wordt weggezet, zou Kris Peeters wel eens grote kans kunnen maken hem (met succes) op te volgen. Ook al valt hij persoonlijk nog niet helemaal samen met de rol van premier, een hele vooruitgang zou het wel zijn.
Komen er in tegenstelling tot dit scenario dat uitgaat van een uiteindelijk slagen, toch nieuwe verkiezingen, is het uitkijken naar hoe die onverschilligheid bij de bevolking zich vertaalt in het stemgedrag. Niemand weet of men CD&V/N-VA nogmaals een kans zal geven de situatie te ontmijnen, of men en masse naar populistische alternatieven zal hollen als de lijst Dedecker en good old Vlaams Belang. Hoe de sociaalprogressieven er schijnbaar absoluut niet in slagen deze politieke malaise, waar zij toch relatief van gespaard bleven, om te zetten in vooruitgang in de peilingen, weet niemand.
dinsdag 15 juli 2008
Onder de post (12) – over politiek
“Yves Leterme,” liet er iemand vallen, niet meteen getuigend van politiek inzicht, maar ze had toch ook wat opgevangen. Daarop kwam er een stroom van halve zinnen, waarheden en slogans op gang. Het meest tot de verbeelding sprekende, maar ook meteen wat meest verontrustte was iemand die het opstoken van de Walen beval. Los van stijlfiguren als overdrijving en ironie, blijft dat een hele uitsprak. Zo hard had ik het niet verwacht. Dat onze zuiderburen zich het afgelopen jaar niet meteen populair hebben gemaakt in Vlaanderen, kan een klein kind voorspellen, maar dat het zo diep zat, is nog wat anders. Gevolgd werd dit door instemmend gemompel en analyses die de zaak nogal eenzijdig in het voordeel van de hardwerkende Vlaming beslechtten. Dat nam niet weg dat ook Yves Leterme, die volgens zijn voorzitster bovenmenselijk werk heeft verzet, het in zijn geheel moest ontgelden. Over Bart De Wever en zijn ‘geblindeerde kabouters’ (Hugo Camps) repte men geen woord, maar ik vrees dat ook zij het moeten afleggen tegen nog rechtsere krachten.
Volgens Yves Leterme zijn de tegenstellingen niet te overbruggen, het model uitgeput. Emotionele reacties waar we begrip voor moeten hebben, aldus Louis Michel. Vaststaat is dat Leterme en zijn CD&V niet voor het model hebben gekozen, maar voor het kartel. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik dat niet verwacht had. Kwamen de giftige reacties in het postkantoor in E. al onverwachts, dan is de strategie waar de CD&V gisteren voor koos dat wel helemaal. Niet de voorstanders van oplossingen en het compromis als Kris Peeters en vermoedelijk ook Marianne Thyssen wonnen het pleit, maar wel de voorvechters van de Vlaamse zaak. Zo zouden christendemocratische senatoren gedreigd hebben over te stappen naar de kartelpartner N-VA toen het plan van een dialoog onder gemeenschappen op tafel kwam. Vooral Didier Reynders moest het in deze ontgelden. De importantie die hij toebedeeld zou krijgen, was een onoverkomelijke doorn in het oog van sommige CD&V’ers, hoewel hij als leider van de grootste Franstalige formatie in welk plan dan ook niet zomaar onder tafel kan worden weggeschoven. Toegegeven, wie de slaagkansen voor deze dialoog wilde optimaliseren, koos voor Rudy Demotte. Hij is tenslotte de directe evenknie van Kris Peeters – het andere konijn dat men in extremis uit de hoed probeerde te halen – en kan spreken als minister-president van de Waalse regering en het Waalse gewest. Los van strategische beweegredenen, al dan niet verwerpelijk, om toch Reynders naar voren te schuiven aan Franstalige kant, blijft het hallucinant om wat misschien een ultieme poging om het land te redden zal blijken af te schieten vanwege een persoon.
Het is dan ook in de eerste plaats CD&V die vandaag de zwarte piet mag worden toegewezen, meer dan de man van achthonderdduizend voorkeursstemmen, die, hoewel vaak op een gebrekkige wijze, tot de laatste snik heeft gepoogd een compromis binnen te halen. In tegenstelling tot de laconieke omgang van Bart De Wever met 15 juli is zijn kartelpartner die datum toch te veel geworden. Zij bliezen de regering op om hun relatie met de Vlaams-nationalisten te redden. Een strategie die niet enkel getuigt van aanleg tot slecht bestuur, maar helaas ook van inzicht in de situatie heden ten dage in Vlaanderen. In tegenstelling tot mezelf, heeft de CD&V maar al te goed door hoe het Belgisch karakter van de Vlaming na een jaar van crises wel geheel lijkt te zijn afgestorven. De top heeft de controle volledig verloren over wat de achterban van welke partij dan ook er tegenwoordig op na houdt wat de Vlaamse zaak betreft, en dient willens nillens rekening te houden met die realiteit. Wie de eerstkomende verkiezingen wil winnen, zal zich van een nog veel harder standpunt in deze moeten voorzien dan in der aanloop naar de verkiezingen in 2007. Dat maakt de situatie uitzichtlozer dan ooit en brengt een mogelijk compromis met de Franstaligen nog verder van waar iedereen het hebben wil.
Het zijn die laatste overigens die nu de leiding zullen moeten nemen. De man van achthonderdduizend ligt voor een hele tijd out, en verder heeft aan Vlaamse kant niemand nog zin om zijn vingers te branden aan deze zaak. Het zullen zij moeten zijn om te bewijzen dat ze werkelijk verder willen met ons aller moederland België en daarvoor ook bereid zijn tot een compromis te komen met hun noorderburen. Hoewel het einde wel helemaal zoek lijkt als zij zich daar niet toe kunnen brengen, is de kans dat zoiets er binnen afzienbare tijd van komt minimaal. Wanneer de ene verstart, kan de andere alleen maar volgen. Met kiezers die niet verder raken dan Madame Non en het naïeve geloof in vijf minuten politieke moed, is dat de enige politieke realiteit waarin in te schrijven valt. Tenminste toch voor zij die deze crisis zonder al te veel blutsen en builen willen uitkomen. Dat de groene partij zich ook vandaag weer bedeelt van veruit het intelligentste discours, behoeft geen commentaar.
Et maintenant? De vraag is alles behalve nieuw. Een België dat zich nu al meer dan een jaar zonder regering schijnbaar staande weet te houden, kan nog wel even verder. Ook al zullen de gevolgen voor de toekomst misschien al binnenkort rampzalig uitvallen, postbodes blijven net zoals alle andere bewoners van dit land aan de slag alsof er amper wat aan de hand is. Zonder morren, zonder gedoe, doen we gewoon allemaal verder zoals we bezig zijn. Morgen: parochieblad, misschien brengt dat wel raad.
maandag 14 juli 2008
Onder de post (11)
De verwachtte koekjes en koffie bleven uit, helaas. Gelukkig had ik mijn kopje bij, en zaten we ook niet in de vergaderzaal waar ik op had gerekend maar in de keuken, zodat een thermos koffie binnen handbereik was. De postmeester nam het woord.
“Vrienden, collega’s en sympathisanten, ik heet jullie van harte welkom.”
Applaus.
Na een kleine bespiegeling over zijn weekend kwam het eerste agendapunt aan de orde: een nieuwe soort pakjes. In mijn drang om niet de minste kwalificaties van een echte postbode te vertonen, liet ik dit onderwerp volledig aan mij voorbij gaan. Ik sloop naar buiten en ging de me herinnerde wafeltjes op mijn bureau halen. Zonder sta je nergens. Ook de vragenronde over de nieuwe pakjes werd in mijn hoofd nuttiger besteed.
Daarna werd het interessanter. Blijkbaar houdt Johnny Thijs er wat alle mogelijke ditjes en datjes over postkantoren een rangschikking bij. Zo kom je uit bij super postkantoren en brakke postkantoren, die steeds helemaal achteraan hangen. Dat die laatste categorie vooral in Wallonië huist, weet ik niet. Wel probeerde ik mij een voorstelling te maken van hoe het er in zo’n kantoor zou aan toe gaan. Zou men steeds in zak en as zitten als er weer een ranglijstje binnenkwam, of zou het hen absoluut niets meer doen? Waarschijnlijk worden zij constant bestookt met bezoekjes van de zonemanager en ander tuig die hen dan tips opdringen over hoe het beter en efficiënter kan. Speciaal voor die tips werd een prikbord geïnstalleerd. Dat het postkantoor van E. niet tot die soort behoorde, had ik wel al langer door. Ook een overplaatsing naar een oord waar elke ronde anderhalve straat beslaat (zij weigerden de coördinaten door te geven toen de geo-route werd uitgevoerd), leek niet erg realistisch.
Het postkantoor waar ik het moet zien te rooien, bleek het zo erg goed te doen. Misschien zelfs uitstekend. Maar er was nog werk aan de winkel! We mochten zeker niet denken dat we op onze lauweren konden rusten.
Wat de aangetekende brieven betreft, hadden we een correctheid van iets rond de 96 procent, in tegenstelling tot het nationaal streefdoel dat rond de 97 procent hing. Dat baarde zorgen. Grote zorgen. De sfeer sloeg om in de keuken en iedereen haalde plotseling een erg serieuze en begane blik tevoorschijn. Dit was niet zomaar iets. Dit was een probleem. Als we nou niet opletten, kon dit zaakje ieders kop kosten. Ondertussen begreep ik nog steeds maar weinig van die procenten, en had ik daar net nog net een uitbundige ‘jeej!’ kunnen onderdrukken. De postmeester, die van dit agendapunt aardig was gaan zweten, drukte ons op het hart hoe voorzichtig en oplettend we vanaf heden moesten omgaan met die verduivelde aangetekende brieven. Er mochten geen fouten meer worden gemaakt. Wie dat wel deed, riskeerde misschien wel zijn leven.
In een doodse stilte verliet iedereen de keuken, terug naar zijn werkplek. Iedereen had wat om over na te denken en nog de hele dag zou dat danig te voelen zijn in het postkantoor van E.
Over politiek – fasten your seatbelts
Na acht jaar paars was het enige punt dat CD&V binnen wilde halen een hernieuwde machtsdeelname. De partij wilde kost wat kost voorkomen dat ze weer de oppositie in moest, een plek waar zij – op enkelingen na – nooit hebben kunnen aarden. Daarvoor werd berekend dat het Vlaamse karakter moest aangehaald, wat onverdroten werd uitgevoerd. Vlaamse vlaggen werden uitgedeeld aan leden en medewerkers, de kopman Yves Leterme ging achter een spreekgestoelte aan waar iemand in de vlucht “Meer Vlaanderen” op had aangebracht en – laatst maar zeker niet het minste – de N-VA werd binnengehaald. Die Vlaamse agenda, en een onverantwoord bashen van paars en haar premier, maakte dat de christendemocraten, net zoals het jaar daarvoor al bij de Vlaamse verkiezingen, een monsterscore neerzette en niets hen in de weg leek te kunnen staan om de gehele Wetstraat weer in te palmen.
Die Vlaamse boodschap sloeg dus aan. Niet enkel bij hun kiezers, maar ook politiek personeel en achterban van de CD&V werden plots in de ban gebracht van het communautaire gehakketak. Eric Van Rompuy en consorten konden weer eens helemaal open bloeien, nu ze zich terug moesten inhouden tegen de andere Vlaamse partijen. En ja, voor je het weet is met de N-VA het hele kartel zo Vlaams als de pest. Of zo lijkt het toch. Naast die christendemocratische radicalen, die de pers maar al te graag opvoert, bevindt er zich nog steeds een brede basis onder de CD&V die weldegelijk aan de macht wil zitten en blijven. Als zij nu niet zelf een corridor instaleren voor de Waalse vrienden, is dat enkel omdat een verkiezingsnederlaag dan in het verschiet ligt. Verder is het daarentegen ondenkbaar dat CD&V de stekker uit deze regering, en Yves Leterme, zou trekken enkel en alleen omdat er niet genoeg is binnengehaald. Het is misschien de natte droom van haar kartelpartner en enkele hardliners binnen de partij, maar het is zo ondenkbaar als dat er morgen toch nog een communautair akkoord wordt voorgesteld in de kamer. Yves Leterme mag dan misschien wel sterk lijken te vereenzamen volgens de Vlaamse pers, zijn partij laat hem wel zeker niet in de steek. Hij hielp hen terug aan de macht, of gaf hen toch alleszins de kans die terug te grijpen, en dat gaan ze allemaal heus niet laten vallen enkel en alleen omdat een kiesdistrictje van niets maar niet gesplitst raakt. In the end betekenen symbolen maar bijzonder weinig bij de christendemocraten.
België blijft. De CD&V blijft. Leterme blijft. Wat er morgen ook gebeurt. Het enige wat ons te wachten staat is dat N-VA de aftocht zal blazen, willen ze tenminste hun zuurverdiende credibiliteit niet verliezen. Dat wordt niet enkel een probleem voor haar kartelpartner, maar zal het land nog moeilijker te besturen maken dan tevoren. Echter omdat dat niet denkbaar is, zal er maar weinig veranderen. België en haar leiders blijven bezig dit land en haar toekomst te ruineren. We slepen ons nog verder naar de Vlaamse verkiezingen volgend jaar, alwaar de bom in het beste geval zal ontploffen. Wat daarna, weet zelfs Tim Pauwels niet.
Van je hela hola houd er de moed maar in, dus.
zondag 13 juli 2008
Over komkommers
Enkele maanden geleden zat er al eens een itempje over de Iphone in De zevende dag. Dat ging nogal geruisloos voorbij omdat dat programma nou eenmaal, op het obligate politiek debatje na, nog maar bitter weinig voorstelt. Ministens vijf minuten moest een journaliste volggepraat zien te krijgen over de Iphone, met de hulp van een expert weliswaar. “Sluikreclame!” roep je dan naar je televisie, hoewel niemand daar wat mee opschiet. De kans dat het laatste nieuwe kipje dat naast Alain Concinx moet gezeten op de zondagochtend daar enig geldbedrag voor tegenover wordt gesteld, is nihil. Puur redactioneel werk dus, wat de doorsnee reclame niet overtreft. Want ja hoor, de conclusie was dat we er allemaal eentje moesten gaan halen. Nog een punt waarop de VRT wat van de Nederlandse omroepen kan leren. Daar mag er in welk programma dan ook op die manier geen merknaam worden vermeld. Hoewel dat wel erg ver gaat, vermijdt het toch handig dit soort promokul.
Dat was toen de Iphone nog niet in België was verschenen. Reclame voor iets dat je hier toch niet kan krijgen, misschien heeft het zo nog wel wat. Deze week was echter ons moederland (als het over Iphones gaat zijn we allemaal nog Belg) aan de beurt. Eindelijk konden ook de Belgische snobs (ik heb zelf een ipodje, hoor) zich laven aan dit hemels goed. Bon. Dan verwacht je een mooie reclamecampagne, bij apple kan er voor zoiets altijd wel wat vanaf. Wat bleek: het geld dat ze daarin hebben geïnvesteerd, konden ze even goed op de rekening laten staan. Onze vaderlandse pers stond in de rij om het mooiste artikel te mogen schrijven over dit hebbedingetje. Zat ik wat te mopperen over een uitzending van Ter Zake die er een paar minuten aan weed, bleek de volgende dag een foto van die Iphone op de voorpagina van De Morgen te staan. Toegegeven, je kan niet elke dag een doodvermoeide Leterme afbeelden op je front, ook dat gaat vervelen, maar een fotootje van een mobiel telefoontje waar je ook muziek op kunst spelen, gaat me toch wat te ver.
Elke keer als er een nieuwe Harry Potter verscheen, leek de heisa er rond al danig overdreven. Maar: literatuur heeft altijd een streepje voor, van welk allooi dan ook. Wat er deze week allemaal is geschreven en uitgezonden, was dan ook de overtreffende trap. Woensdag bleek het belangrijkste nieuws van de dag het verschijnen van dat mobiel mp3’tje, vrijdag kwam hij nog eens uitgebreid voorbij omdat er wat met koppelverkoop te doen was. Moest Ivo Mechels zelfs van stal. Een pluim voor de mensen van apple die dat voor elkaar hebben gekregen. Nou zou je kunnen gaan denken dat al die redacteuren zo’n gadget hebben toegestopt gekregen, maar dat is onzin. De vraag hoe ver media mee moeten gaan in dat soort hypes, is veel zinniger. Niet, lijkt mij. Op dat Blackberry van onze premier na, ontgaat de relevantie van welke gsm dan ook mij volledig. Berichten over spectaculaire verkoopcijfers, bijkomstige kwalen die je ermee opdoet of mogelijk ingebouwde afluisterapparatuur, zijn meldenswaardig. Enkel de aankondiging van een nieuw product, lijkt op alle mogelijke gezichten zo vreselijk fout. Een drang om zich te willen verbinden aan een zo hip merk als apple, speelt misschien wel mee. Wij zijn de Iphonekrant, moesten we van woensdag onthouden. Als je helemaal bij de club wil horen, moet je ons ook lezen.
Het ontgaat mij. Volledig. En dat ligt nou es niet aan mij.
Tussen de post (10)
Wat een aangename verrassing! Aan het eerste huis, waar ik maar heel lichtjes durfde aanbellen, doet een klein meisje de deur open.
“Ik ben de postbode,” zeg ik naar waarheid.
Nog voor ik een vraag kan stellen loopt het meisje terug het huis in. Even blijft het stil en ik denk eraan terug op te stappen en het gehele plan te staken. Tot daar naast het weggelopen meisje nog twee andere kinderen en hun vermoedelijke moeder in de deurpost verschijnen.
“Wat ben ik blij u eens te zien,” zegt die laatste, “de kinderen hebben deze week voor u geknutseld.”
En inderdaad. Alle drie houden ze een uit kartonnen afval opgetrokken brievenbus vast, versierd met glittertjes, sterretjes en ander vrolijks.
“Is dat allemaal voor mij?,” vraag ik speels. De kinderen knikken enthousiast en duwen de geschenkjes in mijn handen.
Door dit eerste bezoek moed ingesproken, bel ik al snel bij een tweede deur aan. Niemand geeft thuis, maar ik zie wel een enveloppe aan de deur hangen.
“Beste postbode, wij willen u van harte bedanken voor het geleverde werk. Uw nieuwe kijk op het postwezen, geeft ons weer kracht en energie om ook ons eigenlijk leven terug aan te pakken. Bedankt.” 50 euro is mijn deel.
Nog niet bekomen van deze ietwat vreemde mededeling, zie ik al een vrouw naar me toe komen gelopen. In het ene hand draagt ze een fles whisky, in het andere een glas dat ze onderweg omstandig probeert te vullen.
“Facteur! Facteur!” roept ze druk, hoewel ik geen aanstalten maak te vertrekken.
De vrouw druk me tegen haar boezem aan, en duwt me daarna het glas in de handen.
“Hier, voor u,” spreekt ze, “dat heb je wel verdiend.”
Zo ontmoet ik nog de hele voor- en vroege namiddag mensen van allerlei slag. Allemaal proberen ze op hun eigen manier hun blijdschap uit te drukken over de nieuwe postbode. Nog steeds met stijgende verbazing durf ik het aan iemand te vragen waarom ze nu precies zo opgetogen zij met mij als postbode. Daarvoor kreeg ik toch enkel klachten en opmerkingen.
“U brengt ons weer samen,’ kirt de vrouw, “u doet deze wijk weer helemaal open bloeien.”
“Hoe doe ik dat dan precies?”
“Door werkelijk alles verkeerd te posten,” lacht ze.
Nu begrijp ik er helemaal niets meer van.
“U verplicht ons weer met elkaar te praten, meneer de postbode.”
“We moeten wel, anders raken we nooit aan onze post,” valt iemand haar in de rede.
“De sociale cohesie is in deze wijk nog nooit zo sterk geweest sinds u hier de post rond draagt. Ik ontmoet mensen waarvan ik niet wist dat ze in mijn straat wonen. Mijn dochter is zo al aan een lief geraakt van bij ons achter de hoek.”
“En ik heb een minnaar dankzij u!” roept iemand net iets te hard.
Zo gaat het nog even door. Steeds meer mensen komen rond me staan om mij te bedanken voor mijn verdiensten. Op handen word ik terug naar het postkantoor gedragen alwaar onthuld wordt dat men binnenkort een postzegel met mijn beeltenis erop zal drukken.
Moe maar wel erg voldaan keer ik huiswaarts. Of hoe ik tegen wil en dank de Geena Lisa van E. werd.
donderdag 10 juli 2008
Tussen de post (9)
Vandaag was de dag dat de routine insloeg. Niet als een bom, zo gaat dat niet, maar sluimerend, alsof het al even op til was. Overduidelijk is wat er nog de komende twee weken van mij verwacht wordt, wat dat met me doet en wat ik er aan over zal houden. Hoe vervelend ook, de vermoeidheid, intellectuele stilstand en wat nog meer raken gewend. Ik weet nou wel wat ik nog kan en wat niet meer, en daar leg ik me bij neer. Dat klinkt overigens triester dan het in werkelijkheid is. Het kan best aangenaam zijn om je te kunnen wentelen in overbekende gevoelens en ervaringen. Werken wordt iets als betekenisloze televisie staren. Je hoeft er amper wat voor te doen en de klok blijft tikken.
Zover zijn we echter nog niet. De postbodekunde (volgens mijn spellingchecker bestaat het woord) heeft nog bijzonder veel geheimen voor mij, en hoewel ik niet in allen geïnteresseerd ben, wordt mij op het hart gedrukt dat ik ze toch maar beter onder de knie probeer te krijgen. Met de technische details moet ik niemand lastig vallen – hoewel ze eigenlijk niets voorstellen – maar het volstaat als voorbeeldje dat ik er na bijna twee weken nog niet in slaag de brieven overwegend in de juiste bus te deponeren. Zo ben ik vandaag begonnen met te pogen de fout geposte brieven terug uit de bussen te halen om ze vervolgens alsnog juist af te leveren. Van engagement gesproken. Meer dan complexen over de dikte van mijn hand en omstreken levert dat helaas niet op. Minder geklaag moet ik erdoor ook al niet verwachten. Vandaag werd ik begroet als de postbode die alle brieven verkeerd steekt. Ik glimlachte inschikkelijk, alsof het nooit meer zou gebeuren.
Een collega postbode vond het deze ochtend nodig om voor de eerste keer een rechtstreekse confrontatie met mij (ons) aan te gaan. Toen ik sjouwende was met zakken post kwam hij naast me staan en zette een betoogje aan over mijn gebrek aan talenten als postman. Ik wees hem er vriendelijk op dat mijn ambities net iets hoger reiken en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken om mij hier na juli nog terug te zien als vaste kracht. Dat steekje had hij niet door – heeft ie wel met meerdere dingen – en hij bleef maar doorgaan. Ik scheld hem verrot, bedacht ik ondertussen, voor mongool en debiel en ongeletterd, maar zoiets biedt geen soelaas. Naast dat ik nog twee weken over die man moet staan, dicteren mijn basisprincipes me ook dat ik op niemand mag neerkijken. N’importe qui. Zolang je in je ivoren toren zit, is dat geen enkel probleem, maar als postbode is het a hell of a job. Meer valt er daarom niet over te zeggen. Dat mag de meest achterlijke en gore lul zijn van E., wij blijven vriendelijk voor iedereen, en dat ga ik de komende weken zo proberen te houden. Binnenkort vertrekt hij op vakantie.
Morgen was het een tijdje in mijn hoofd vakantie. Ik ga daar niet aan proberen te denken.
woensdag 9 juli 2008
Tussen de post (8)
Nu ik intellectueel capabel kan worden gesteld om me naast het sorteren ook nog met wat anders bezig te houden, kon ik me vandaag weer even verdiepen in de gesprekken die – vooruit dan maar – modale postbodes onder elkaar houden. Het risico lopend over te komen als een salonsocialist, zal ik deze dan ook hier en nu genadeloos analyseren, of hoe de gegoede middenklasse haar minnelijke blik even neerwaarts laat afdwalen. Om dit te accentueren, zal ik de derde persoon meervoud gebruiken, al betreft het hier een andere soort. Pedanterie, en zo hoort het maar net.
Het eerste dat mij eigenlijk opviel is dat zij nooit over politiek praten. Hoewel het aantal gesprekken dat ik aan dit onderwerp weid nog best zullen meevallen, leek het mij toch steeds door ieders hoofd te malen (zeker nu) en had ik daar toch enige afspiegeling van verwacht. Ik was benieuwd naar wie zij nu nog vertrouwden in de Wetstraat of wie zich nu ongeloofwaardig zou hebben gemaakt voor hen. Geen enkel woord is er tot hier toe over gevallen. Behalve iemand die min of meer te kennen gaf op het Vlaams Belang te stemmen. Altijd even schrikken om een blokker tegen te komen (en dat wil ik zo houden), maar misschien blijft het daarom stil op dit front. Misschien sprak men vroeger niet enkel over politiek maar vocht men er tevens om, dat valt niet uit te sluiten. Dan hou je het beter bij gezellige gespreksonderwerpjes, zoals daar zijn: Tien Om Te Zien, ronde van Frankrijk, campings, kaartspelen,… The usuals, helaas. Daarnaast zou het ook kunnen dat het gewoon klopt wat sommige analytici al een tijdje schrijven maar wat ik nooit heb willen geloven: de man op de straat is niet meer geïnteresseerd in politiek. Hij heeft het opgegeven. Dat leek mij zo onlogisch, omdat het nu – op de eindeloze stroom van na- en voorbesprekingen na (behalve Tim Pauwels!) – interessanter dan ooit is. Politiek op het scherpst van de snee, of zoiets. Niet dus.
Wat de burgerlijke middenklasse ook opviel, is hoe directer die mensen met elkaar omgaan. Bijnamen als den dikke en Hitler zijn dan waarschijnlijk (hopelijk, in het laatste geval) niet al te serieus op te nemen, maar ook tekenend. En zoveel seks. Dat was misschien wel het verrassendste. Wie onderwerpen zou gaan turven, zou waarschijnlijk de helft van de streepjes in die categorie moeten strepen. Niet dat er erg uitgebreid gerecenseerd wordt hoe het er de avond daarvoor aan toe is gegaan – zoveel wordt er ook niet bij De Post afgeneukt – maar ellenlange besprekingen over wie ze willen, wat ze willen en hoe ze het willen. Quoteringen van collega’s die naast hen met de pensioenen in de weer zijn, dat soort dingetjes. Fijn te weten dat ze dat dan toch nog hebben, maar nu vijf minuten van die quatsch verlang ik alweer naar het kutgedicht van Deelder.
Verder heeft het mijn hele ronde geregend. Hoewel dat bij postbodes in een bepaald type film zowat rechtstreeks aan seks wordt gelinkt, heb ik daar maar weinig van mogen ondervinden. Zo heb ik ook nog geen enkele reactie voorbereid voor als een desperate huisvrouw blijk zou geven zich eens te goed te willen doen aan mij. De schadevergoedingen achteraf neem ik dan alvast als gouden handdruk.
“Hela hola houd er de moed maar in,” kwam vandaag meer dan twintig keer in me op. Is that a good or a bad thing?
dinsdag 8 juli 2008
Tussen de post (7)
In tegenstelling tot de andere dagen – waarop ik in T-shirt verscheen – had ik vandaag terug mijn gebruikelijk hemdje/jasje combinatie aangetrokken. Vertrouwen en vakmanschap moest er worden uitgestraald. Thuis had ik zo ook al een bescheiden stappenplan opgesteld waarmee ik over het postkantoor van E. zowel bij de inwoners van E. als bij de directie in Brussel een nieuw, fris en actief beeld wilde doen oproepen. Tussen het tandenpoetsen en de ochtendlijke douche door had ik nog net tijd gezien om deze eerste ruwbouw in een PowerPointje te gieten. Onder het koffiedrinken schreef ik nog enkele notities (en een grapje) neer op onbezorgde enveloppen, woorden die later de sleutel tot mijn succes zouden blijken, wist ik zeker.
Daar was de postmeester. “Kris,” riep ik hem joviaal en gemoedelijk toe, “hoe gaat ie?”
“Goed goed,” bromde hij.
Zonder dat ik nog maar een woord had gelost over mijn spinsels, kwam hij tegenover me zitten in de kantine. Hoewel ik er vanuit ging dat hij zich bereidwillig verklaarde te willen luisteren naar al wat ik te zeggen had, nam hij het woord.
“Je hebt gisteren de eerste keer je ronde alleen moeten doen. Hoe vind je dat dat zelf gegaan is?”
“Euh…euh…,” stotterde ik, niet voorbereid op deze zijsprong, “best wel goed, denk ik.”
“Denk je?”
Het was mij volledig onduidelijk waar hij naartoe wilde. Ik was gisteren toch nog voor zonsondergang terug geraakt met nog maar een klein pakje onbezorgde post nog in mijn handen. Ik lachte zijn gefronste wenkbrauwen weg en begon meteen aan de essentie.
“Kris, ik heb een plan bedacht. Wat wij hier nodig hebben is een imagoconsulent, en wel erg dringend. Zo kunnen we ons uniek positioneren naast alle andere postkantoren en kan Brussel ons niet meer negeren.”
“Wat?”
“We moeten er ook voor zorgen dat onze klanten weer anders tegen ons aan gaan kijken. De postbode moet weer datgene wat hem vroeger zo typeerde uitstralen, maar dan zonder zijn tijd te verdoen aan praatjes en wat nog meer. Een imagoconsulent zou daarvoor een plan kunnen uittekenen. Heb jij toevallig ergens een pc met PowerPoint?”
De postmeester hief zijn armen in de lucht.
“Waar heb jij het in godsnaam over?”
“Wacht, ik zal even een schets maken,” probeerde ik dapper.
Hij ging staan en gebood me op te houden.
“Luister jongen, ik weet niet wat je me duidelijk wil maken, en eigenlijk interesseert me dat ook niet, maar er zijn hier vier klachten over jou binnengekomen. Vier mensen vonden het blijkbaar nodig te klagen over de kwaliteit van hun postlevering. Dat wil iets zeggen. Het is je eerste dag, dus ik geef je nog even, maar zorg dat er iets verandert. Anders kan je imagoconsulent of wat je daar ook zegt gaan spelen, maar niet bij mij.”
Hij draaide zijn rug om en liep de kantine uit, nadat hij vier vellen papier op de tafel had gegooid. Vier keer klaagden mensen in ongeveer dezelfde bewoordingen over dat ze verkeerde post hadden gekregen en in de toekomst liever wat anders zouden krijgen. Ratten, dat waren het. Ooit zullen ze het zich beklagen dat zij de reorganisatie van het postkantoor van E. in de weg stonden.
Mijn tranen verbijtend ging ik aan het werk.
maandag 7 juli 2008
Tussen de post (6)
Bestond er zoiets als een postbodeagenda, dan stond deze dag in mijn persoonlijke postbodeagenda met dikke rode stift aangekruist. Vandaag was de dag van de waarheid. Vandaag zou blijken of ik het ook zonder peter kon stellen. De man die daarvoor doorging liet die challenge nogal pijnlijk duidelijk blijken door mijn opgewekte ‘Goeiemorgen!’ straal te negeren. Schreef hij geniale boeken, het was een man naar mijn hart. (Nu we het toch over negeren hebben: de andere jobstudent is daar ook mee begonnen tegenover mij. Daarom, en vanwege zijn algeheel voorkomen, heb ik besloten hem een Neonazi te vinden. Ik zal hem vanaf nu ook zo benaderen.) Die ochtendkreet, in veelvoud overigens, kwam er nadat ik manisch was geraakt door het aantreffen van geen enkele klachtenbrief. De hele tocht heen naar mijn werkplek had ik op een gepaste reactie gebroed, en aangezien ik niet verder was gekomen dan een meelijkwekkende kreun, was het erg fijn die te kunnen schrappen uit mijn dagschema. Wel weet ik zeker dat iemand die brieven simpelweg voor me achter houdt, maar daar kan ik mee leven.
Terwijl ik als een gekgemaakte zombie brieven stond te sorteren (Een nieuw systeem!), bespraken mijn collega’s het weekend. Aan die schare had zich een vrouw toegevoegd die ik onbeschreven zal laten. Niet enkel uit respect voor haar, maar vooral omdat ze niet in nette woorden te vatten valt. Een koe. Allemaal hadden ze dit weekend sport gekeken, waardoor mijn kansen om mee te converseren en misschien wel een vertrouwensband op te bouwen, geheel vervielen. Zaterdag was eveneens zowat iedereen aanwezig geweest op de trouwerij van een arbeidsvriend. Ook daar moest ik – gelukkig, ik zeg het er voor de goede orde maar bij – op ontbreken en kon het zo wederom vergeten om verder kennis te maken met mijn tijdelijke lotgenoten en misschien weetjes en handige tips uit te wisselen.
Maar ik dwaal af van de essentie: het postwezen. Het moet gezegd dat ik op tijd klaar was met het voorbereidend werk. Als laatste, ook dat wil ik eigenlijk gezegd hebben want hier mag in geen beding een talent uit blijken, maar toch op tijd. Theoretisch op tijd dus, want praktisch gezien was ik in de ogen van de professionals waarschijnlijk rijkelijk te laat. Dat noopte me alleszins niet minder tot euforie. Huppelend en zingend bracht ik mijn zakken weg, en bracht zo een tafel ten val. Blijkbaar zijn ze bij de post erg gehecht aan hun meubilair, want in no time stond zowat het hele nog aanwezige deel van de clan rond mij om uitleg vragend en wat nog meer. Weg manie.
Nu de afwezigheid van een lunchpauze niet meer opvalt (hoewel ik vandaag heb ontdekt dat die wel niet wordt betaald – er hangt bloed aan je vingers, Johnny Thijs) begon ik meteen na het verdeel en heers van de ochtend aan mijn ronde. Alleen. Wat er eigenlijk vooral op neerkomt dat je geen geforceerde conversaties draaiende moet zien te houden. Om maar te zeggen: de spanning was nou niet te snijden. Enkel helemaal op het einde, toen ik triomfantelijk kwam binnengereden in het postkantoor, was er een nogal hevige botsing tussen mijn beleving en de realiteit. Zonder uurwerk had ik berekend dat ik de klus eerder pijlsnel had geklaard en mezelf dus oeverloos had overtroffen. Het contrast met de eenzame vrouw die alleen nog op mij zat te wachten, was dus gigantisch. Ze had de lichten al half gedoofd om het effect wel helemaal op een dramatische spits te drijven. De analyses en nabesprekingen afwerend, besloot ik mezelf toch een pluim te geven. Ook na een blik op de klok vond ik van mezelf dat ik het goed had gedaan, mijn capaciteiten en vooral tekortkomingen indachtig. Moe maar voldaan keerde ik dus huiswaarts, van een geslaagde missie. Het postwezen kon weer zestien uur mijn kloten kussen.
zaterdag 5 juli 2008
Over politiek
Woensdag gooide roet in het eten. De Franstaligen hadden blijkbaar daarvoor steeds nagelaten concrete eisen op tafel te leggen, waar ze die dag wel toe over waren gegaan. Drie van de zes faciliteitengemeenten wilden ze bij Brussel zien gehecht, en een corridor die Wallonië met het Brussels gewest verbindt, zodat als het ooit toch tot een splitsing zou komen de Franstaligen een uitweg zouden hebben. Onredelijk is anders. Een strook bos en drie gemeenten, waar sowieso de overgrote meerderheid al Frans spreekt, in ruil voor de splitsing van het mythische Brussel-Halle-Vilvoorde. Daarnaast waren onze Waalse broeders zelfs zo vriendelijk net die gemeenten uit te kiezen die momenteel in de rats zitten omdat ze dankzij Marino Keulen en consorten niet aan een netjes benoemde burgemeester raken. Ook opgelost, benoemd door het Brussels gewest en het goed bestuur zou ook daar haar aanvang kunnen nemen. An offer you can’t refuse, lijkt het wel.
Dat is helaas buiten de Vlaamse onderhandelaars gerekend. Zij, die nog steeds denken voor alle Vlamingen te spreken, hebben zich na een jaar onderhandelen voorop gesteld geen enkele toegeving te slikken. Een premier zou voor minder van een impasse gaan spreken, zeker als die dan ook nog eens voornamelijk door zijn eigen partij- en kartelgenoten wordt georganiseerd. Je wil toch ook eens een tijdje rustig hebben gezeten in de zestien. De corridor weigeren, is begrijpelijk. We dachten tot voor kort allemaal (inclusief sommige Franstaligen ongetwijfeld) dat dat een grap was. Als zoiets dan plots als concrete eis op tafel komt te liggen, is dat even schrikken. Ook al gaat het maar om een morzel grond, er valt wat voor te zeggen dat de Vlamingen, die alles weten van symboolwaarde, en meer is het niet, zoiets weigeren. Die drie gemeenten is wat anders. Tegen de realiteiten in die onvermijdelijk gepaard gaan met de uitbreiding van welke grootstad dan ook, moeten wij ons blijkbaar blijven vasthouden aan een verleden tijd. Wie een stad als Brussel maximaal wil uitbuiten, moet erbij nemen dat zij die daarvoor het geld en de middelen hebben, het centrum verruilen voor rustiger gelegen gebieden. Spreken zij die dat lukt een andere taal dan de oorspronkelijke bewoners, dan moet dat maar geregeld op een nette en correcte manier. Brussel-Halle-Vilvoorde moet dan wel gesplitst, daartegenover mag eindelijk wel eens wat realiteitszin komen te staan. Anders kijkt Leterme aan tegen een wel erg zwarte 15 juli. Voor België en zijn carrière.
Daarnaast was het deze week ook in de periferie van de onderhandelingen druk druk druk. De Vlaams getinte Gordel mocht plots niet meer door de drie gemeenten die het dezer dagen met een waarnemend burgemeester moeten stellen. Eric Van Rompuy mocht daarom speciaal nog eens van stal. Hij maakte zich zo op zijn eigen ietwat platvloerse manier boos op een van de uitverkoren burgemeester, altijd bereid de rol van nar te vervullen. Rudy Demotte kreeg ook zijn pleziertje door net het omgekeerde aan te kondigen als waar de Vlamingen nou al decennia voor strijden. De Waalse gemeenten die faciliteiten voorzien voor anderstaligen (ook zij die Nederlands praten) kunnen daar poen voor vangen. Demotte toont daar wel erg pijnlijk mee aan hoe ver we heen zijn hier in ons bekrompen Vlaanderen. Ik wil eigenlijk ook wel een corridor.
vrijdag 4 juli 2008
Op de post (5)
Zo stond ik ook toen het gros van mijn leeftijdsgenootjes de eerste dag van Rock Werchter nog uitzat, brieven te sorteren alsof mijn leven er vanaf hing. Mijn peter had zijn rol vandaag beperkt tot kijken naar hoe ik dat deed, omgekeerd naar zoals we maandag waren begonnen. Mits fors gewijzigde omstandigheden had mij dat misschien wel wat gedaan, maar ik heb zo het gevoel dat alle emoties stilletjes aan uit mijn lichaam aan het verhuizen zijn. Wat over blijft is een dof gevoel van vermoeidheid, waar enkel de tekeningen van Peter Van Straaten tegenop lijken te kunnen. Na een week slaag ik er zo niet meer in vijf achtereenvolgende pagina’s van een roman te lezen, wat ik bijzonder zwaar oppak. Enkel ’s ochtends voor ik naar het postkantoor vertrek, staat er even klassieke muziek aan, waar in ik zo intens mogelijk van probeer te genieten. ’s Avonds raak ik niet meer verder dan radio donna, wat eveneens een slag in mijn gezicht is.
Wel ben ik vandaag begonnen met fantaseren over wat ik de laatste dag en daarna zal doen. Wat meteen na het posten van mijn laatste brief betreft, twijfel ik nog tussen in huilen uitbarsten (dat zou dan de eerste keer moeten zijn – gerelateerd aan het postwezen welteverstaan – maar ik sluit niets uit) of de hele zooi verrot schelden. Dat laatste wint het meestal, omdat ik zo wat voor te bereiden heb tijdens de arbeid. De vrouw die mij vandaag kwam zeggen dat de koffie betalend is, zal het zo bijvoorbeeld danig moeten ontgelden. Zoiets doe je niet.
Los daarvan moet gezegd dat de hoeveelheid te bezorgen post vandaag bijzonder goed meeviel. Als die trend zich doorzet – wat mij door verscheidene sujetten al werd verzekerd – zal ik vanaf volgende week mijn taak misschien maar twee uur later dan voorzien kunnen afronden, wat een godengeschenk zou zijn. Ik heb me wel plechtig voorgenomen netter om te gaan met die rotzooi, en zoveel als mogelijk de juiste bucht in de juiste bus te deponeren. Het lijkt me toch onmogelijk dat ik het op die manier zo bont maakt dat men mij op staande voet ontslaat. Doet die mogelijkheid zich desondanks toch voor, doe ik misschien een gooi naar de slechtste postbezorger ooit. Concurrentie in deze krijg ik dan wel van een man (uit een ander kantoor) die er een gewoonte van had gemaakt de nacht in een café door te brengen en meteen daarna naar zijn arbeidsplek te verkassen. Een man naar mijn hart.
Een weekend, zo gaat het gerucht de ronde, moet gevierd. Ik lag daarentegen al de hele middag met rugpijn en een verkoudheid plat en maak me op die positie zoveel als mogelijk vol te houden de komende twee dagen. Voor ik het weet, breekt maandag aan, en daarmee ook een schijnbare hel. Aan het geld denken, wat ik door zowat iedereen wordt opgedragen te doen, lukt niet meer. De miserie is totaal, sms’te ik vandaag iemand die me dat adviseerde, waarmee ik nog steeds veel meer dramahoer ben dan postbode. En dat wens ik zo te houden.
donderdag 3 juli 2008
Op de post (4)
Ik keek al enkele dagen uit naar lessen waarin ze het werk dat ik de laatste dagen had verricht in theorie zouden proberen te vatten. Simpel leek me dat alvast niet, voor zoiets moet toch enige inhoud aanwezig zijn, die volgens mij ontbrak, maar de dag zat helemaal vol. Ik slaagde er blijkbaar niet in aandachtig te blijven, hoewel wat er gezegd werd soms erg duidelijk van pas zal kunnen komen de komende weken. Zo werd er ons verteld wat we moesten doen bij een aanval van een hond of criminele sujetten. Als zoiets zich voordoet, zal ik die kans met beide handen grijpen om mijn ontslag in te dienen, met directe ingang. Duimen dus. Uit het eerste lesblok, dat voornamelijk over terug- en doorzendingen en veiligheid ging, onthield ik dat we op de ronde geen alcohol mogen drinken omdat de post probeert haar imago wat op te krikken. Ook werd hier het juiste woord geïntroduceerd voor de mensen die onze de hele week al opleidden: meters en peters. Ik had het kunnen weten. Tijd voor koffie.
Het tweede deel van de dag werd gegeven door een man die er duidelijk autoritair en intelligent moest uitzien. Mocht hij daar al in slagen, deed zijn mededeling dat ook hij zestien jaar post had rond gedragen dat volledig teniet. Hij was dus best te vergelijken met mijn tegenwoordige collega’s, maar had op de een of andere manier promotie kunnen maken. Dat deed mij gniffelen, wart hem – zijn imago indachtig – niet aanstond, maar verder een aardig man. Hij nam de leer der aangetekende brieven voor zijn rekening, wat volgens hem het zwaarste en moeilijkste deel was. In zijn uitleg die dat moest dekken stond de wet nogal centraal, wat indruk maakte, geloof ik. Ondanks die aankondiging deed ook wat hij te vertellen had aan als materie van het lager secundair onderwijs, wat sommige medestudenten er niet van weerhield ontzettend veel fouten te maken bij de oefeningen. Ook die hoorde tenslotte bij de theoriedag, oefeningen. Geen rollenspelen, zoals ik had verwacht, maar in te vullen blaadjes. Een gemiste kans voor de post academy. Tijd voor koffie.
Pas tijdens de middag kwam ik toe aan enige conversatie met die medestudenten van me. Ook zij bleken haast allemaal iets uit te stralen van dat wat zo overduidelijke aanwezig is bij de postbodes die ik de laatste week heb mogen leren kennen. Erg snugger zagen ze er niet uit, zoiets. Gelukkig waren er enkele uitzonderingen waar ik mij op kon storten, maar wat is er minder interessant dan dat soort vluchtige vriendschappen? Enkel de opmerking dat mijn schoenen erg metroseksueel aandeden, mag vermeld. Zo heb ik nog nooit iemand horen opbouwen naar dat ie me een vreselijke nicht vindt. Het onthouden waard dus. Die middag leerden we overigens fietsen, of – als je dat wilde – bromfietsen. Werd het fietsgedeelte niet door een oempa-loempa gegeven, was dit gedeelte van de dag waarschijnlijk geheel aan mij voorbij gegaan en had zich een zwart gat gevormd tussen twee koppen koffie.
Een leerzame dag, in bepaalde hoofden. Ik was vooral reuze blij dat ik eens niet om zes uur uit bed moest om me druk te houden met het postwezen. Morgen is het daarentegen alweer van dattum, om daarna een weekend te doen beginnen dat nu al onvergetelijk weet te zijn.
woensdag 2 juli 2008
Op de post (3)
Het afgrijselijke begin van dag twee evenaren, was moeilijk, maar de medestudent die ik gisteren wat lichaam betreft nog de hemel in prees deed een moedige poging. Dat had er alles mee te maken dat ik hem vandaag voor de eerste keer een volzin hoorde vormen, of ook daar poogde hij toch moedig naar. Los van zijn mateloos irriterende stem (dat zeg ik nogal vaak) en zijn ietwat beperkte spraakvermogen, dreef wat hij te zeggen had me het meeste de kast op. Dit werkje was het makkelijkste wat hij tot nog toe al had gehad, vond hij nodig te verkondigen om zes uur ’s ochtends tegenover ik die mezelf in leven probeer te houden met enkel een kop koffie voor handen. Ik ben misschien een dramahoer, maar zoiets doe je niet. Wat hij daarna nog dacht te moeten zeggen over hoe erg het wel niet bij de vuilkar was of een groentewinkel waarin hij van zeven tot zeven stond, ging als ruis mijn hoofd in. Daarentegen probeerde ik met een andere jobstudente een gesprek aan te knopen over de tweedehands boekenwinkel De Slegte, zodat hij door zou hebben dat hij met mij een aanstellerige kunstnicht had getroffen. Hij kon zijn praatjes maar beter voor iemand anders sparen, was de boodschap die ongetwijfeld niet aankwam. Dit ochtendlijke gesprekje, dat ongetwijfeld voor smalltalk doorging, had een ongelofelijke invloed op hoe ik zijn lijf de komende uren zou bekijken. Mijn interesse voor dat aspect was in no time als sneeuw voor de zon gesmolten, en ik kon dus naar hartelust afgeven op andere postbodes die vandaag uitgebreid de cupmaten van hun klandizie bespraken.
Vandaag stond helemaal in het teken van ik die zoveel mogelijk zelf doet. Enkel omdat mijn compagnon (ik zoek al een tijdje een ander woord, maar vind niets) vanaf vier uur ’s middags ergens te lande een taverne moest gaan openhouden, wilde hij me nog wel wat helpen. Dat die hulp broodnodig was, behoeft geen commentaar. Omdat het echter wel was voorgesteld alsof ik alles zelf deed, heb ik aan deze dag de illusie overgehouden dat het me volgende week, alleen, wel zal lukken. Soms schiet zo de gedachte zelfs door mijn hoofd dat ik ook zonder hulp nog voor de klok van twee binnen kan komen, wat absurd is. Dat maakt wel dat het idee waarmee ik deze ochtend wakkeer werd – vervroegd er de brui aan geven en met het alreeds gemaakte geld gaan lopen – weer even uit mijn hoofd verdwenen is.
Deze middag verkeerde ik overigens zowaar in feeststemming. Dankzij de uit eigenbelang aangeboden hulp van mijn helper (nee, toch maar niet) begon mijn vrije middag al erg vroeg. Die kon sowieso later uitlopen dan normaal omdat ik morgen – Kom dat zien! Kom dat zien! – een dag theorie heb. En theorie begint nu eenmaal later dan praktijk. Dit zeldzame interbellum kwam in een zee van vrijheid als een golf van euforie over me heen. Nichten, ook kunstnichten, zetten het op dat soort momenten op een winkelen, zeker als ze net daarvoor nog geld waren aan het verdienen. Ik kocht mijn hele dagloon op aan boeken en cd’s, wat een tot hier toe blijvende vrolijkheid veroorzaakt. Hopen dat die blijft, hoewel die hoop wel erg ijdel is. Dramahoer, ik zei het al.
Verder bliksemde het vandaag ook, zoals voorspeld, wat sommige mensen ongetwijfeld erg spannend zouden vinden.
dinsdag 1 juli 2008
Op de post (2)
Waar veel mensen samen komen, hangt seks in de lucht. Hoe contradictoire dat ook mag klinken, het gaat eveneens op voor ween postkantoor. Te beginnen met de kaartjes van blote mannen die degene die ik vervang op haar werkplek heeft opgehangen. Een vreemde ondervinding was dat. Jammer dat ik in de door haar ongetwijfeld vakkundig uitgekozen lichamen niet echt mijn gading vind, maar het valt niet uit te sluiten dat dat alles met schroom te maken heeft en ik alsnog in week drie verpozing kan vinden in de aanblik van blote mannen. Tegenover gisteren is er weer een jobstudent bij gekomen, een lijf dat bij mij wel in de smaak valt. Het is droef vast te stellen hoe veel macht hormonen over een (jonge) mens hebben. Elke keer als ik voorbij hem moet, wring ik me in een glimlach of een viriele tred, hoe uitgeput en futloos ik me dan ook al voel. Desalniettemin, hoewel het geen feestdag is houdt het me aardig op de been. Voor me dit bij mezelf opviel, had ik me nog ledig gehouden met me te irriteren aan de andere, oudere mannen daar aanwezig, meer bepaald de gesprekken die ze over het andere geslacht voerden. Over losse bloesjes van vrouwen die ze onderweg tegenkomen, over hun eigen vrouwen die niet willen, over collegae die ze ook wel willen; zo plat, voorspelbaar en leeg. Toen mijn compagnon de route me wees op een vrouw ‘die er wel mocht zijn’ glimlachte ik maar een beetje in het ijle. Maar ik ben dus geen haar beter, leerden we vandaag nog maar eens.
We kregen allemaal een wafel. Daaruit moet maar worden besloten dat postbodes blijkbaar als kinderen worden behandeld, hoewel ik op dat moment vooral simpelweg blij was met dat zoets. Ik vraag me zo ook af hoe het moet zijn om een jongetje als ik na een week van opleiding al gelijkwaardig werk te moeten zien doen als jij. Mijn ego zou er alvast niet tegen kunnen. Ik hoopte daarom misschien te kunnen verwachten dat mijn collega’s het zouden appreciëren als ik er niet al te veel van terecht bracht, maar die vreugde blijft vooralsnog uit. Ik denk dat mijn leermeester mij vandaag is gaan haten. Voor mezelf noteer ik nogmaals het belang van hogere studies. Die zullen me moeten vrijwaren van dat soort ervaringen, hoewel ik niet per se van plan met later erg gesofisticeerd werk te zullen uitvoeren, maar studenten moeten ze me alvast niet aansmeren.
Morgen gaat het regenen volgens de weerberichten. Ik kan me vanavond dus nog bezig houden met de keuze tussen het overdreven warme weer van vandaag of de regen van morgen. Bij dat laatste moet ik meteen aan papier maché denken, wat vrolijk stemt. De miserie zal er daarom niet minder op worden natuurlijk, als je vier uur zeiknat buiten moet verblijven. Ik nam me wel voor om als het heersende weertype het toelaat, en men mij opzadelt met een eigen ronde, zonder hulp, een schrijfblok mee te nemen om onderweg gedachten te noteren. Het zal een van de vele wanhoopspogingen worden om de uren die ik als postbode slijt enige inhoud te geven zodat de tijd weer iets sneller tikt, maar veel zal het wel niet baten. Daarvoor moet ik overigens eerst aan volgende week maandag raken, wat in mijn hoofd verre van zeker lijkt, en mijn opdracht op een zeker niveau en tempo kunnen uitvoeren. Anders zullen de tranen mij nader staan dan de volzinnen. Ik ben een miet en ik weet het.
