zondag 20 juli 2008

Onder de post (15)

Ik had hem al enkele keren op mijn ronde gezien. Hij stond dan steevast wat onbestemds in zijn voortuin te doen, alsof er van alles moest gebeuren maar hij niet meteen wist waar eerst te beginnen. De eerste week was hij me niet meteen opgevallen – ik kwam wel meer mensen elke dag terug tegen – maar toen had ik nog niet door met welke schoonheid hij gezegend was. De ietwat verwaarloosde maar daarom niet minder strak zittende kleren die hij droeg, het vuil makende tuingebeuren indachtig, zullen er wel wat mee te maken hebben, maar zeker in het licht van een zeldzame zonnestraal, maakte hij de indruk van een Griekse god.

Vandaag had ik een aangetekend pakje voor hem. Toen ik in het postkantoor zijn naam en adres op de antwoordkaart had moeten noteren, was zijn beeltenis al met veel bombarie door mijn hoofd geschoten. Ik had er enkele flauwe grapjes over gemaakt tegen een andere jobstudenten en aangroeiende vriendin, over hoe veelbetekenend dit pakje zou blijken te zijn in mijn leven. Zo keek ik erg uit naar het vluchtige gesprekje dat ik met hem zou mogen voeren, ook al zou de diepgang ervan zich hoogstwaarschijnlijk beperken tot het nummer van zijn identiteitskaart. Dromen stond daarom niet minder vrij.

De straten die op mijn parcours voor de zijne lagen, werden vandaag door mij met nog minder oplettendheid dan gewoonlijk het geval was behandeld. Toen ik eindelijk de brievenpost kon bovenhalen die voor hem en zijn straatgenoten bestemd was, werd mijn pessimistisch voorgevoel helaas bevestigd: ik moest eerst de even nummers afhandelen vooraleer ik zijn oneven huisnummer op mijn bord zou krijgen. De idee om meteen naar zijn huis toe te rennen werd – net zoals hetzelfde idee dat ik had toen ik nog in het postkantoor stond – afgeschoten. Na drie weken was enig professionalisme mij niet vreemd.

Eindelijk aangekomen bij zijn huis, staat hij zoals altijd weer in zijn voortuin. Even denk ik dat hij me hier opwachtte, toen ik daarnet zijn huis passeerde aan de overkant van de straat was hij nog binnen, maar die gedachte doe ik af als larie.
‘Ik heb een pakje voor u,’ probeer ik met mijn meest innemende glimlach.
‘Oh, dat is vriendelijk van u,’ antwoordt hij. Vriendelijk van mij…
Omdat ik zijn identiteitskaart moet hebben gezien voor ik hem het pakje mag overhandigen, vraagt hij me even mee binnen. Die kaart zit ver, blijkt. Terwijl hij naar boven vertrekt, om het komende kwartier niet terug te komen, bestudeer ik zijn interieur. Nichterig, zoals zijn stem, met als hoogtepunt uit tijgerprint opgemaakte kussentjes in het salon. Hij heeft zijn kaart gevonden, roep hij, en meteen erachteraan of ik naar boven wil komen. Mijn hart springt op, helemaal zoals het moet. Ik probeer me in het mate van het mogelijke klaar te maken voor de late voormiddag van mijn leven, en vraag me nog gauw af of ik mijn postfiets niet even vast moet zetten. Nog voor ik een beslissing kan nemen, roept hij me nog een keer en storm ik de trap op, alsof ik daarnet nog op het punt stond de belangrijkste dag uit mijn hele leven mis te lopen.

Aangekomen op de eerste etage, meteen naar de slaapkamer, raak ik even in paniek door het bed dat geheel is ingepakt met de tijgerprint van daarnet. Dat hoefde voor mij nou ook niet. Gelukkig, en ook wel deels verwacht, wordt een deel van dat blijkbaar onvermijdelijke motief onherkenbaar gemaakt door het lichaam van mijn Griekse god. Zijn handgebaar zowel negerend als beantwoordend breng ik mijn lippen naar de zijne, niet nadat ik me van mijn pet en bodywarmer van de post heb ontdaan. We kussen zoals het onbekenden betaamt: onhandig maar daarom niet minder gemeend. Daarna gaat het allemaal wat snel voor mij, en vraag ik, om verwarring te vermijden, wat mijn voorgangster zoal presteerde. Dit met een hese, fluisterende stem, om de passie en het vuur en de roes van het moment en wat nog meer er niet helemaal uit te halen. Een voorgangster heb ik hier blijkbaar niet, wat mij Els, de vrouw die door sommige mensen op mijn ronde wordt gemist, voor de eerste keer doet ontstijgen. In mijn hoofd wordt er naarstig geturfd.

Na een kwartiertje verder te hebben opgebouwd en geknutseld aan iets wat groots zou moeten worden, hebben we beiden een min of meer aangename positie gevonden en is hij er bovendien in geslaagd Celine Dion aan te zetten. Protest lijkt zinloos en ik concentreer me verder op wat ik denk dat er van me verwacht wordt. Zonder de kans te hebben gekregen enige voorbarige conclusie te formuleren op dat vraagstuk, voel ik een pijnsteek ter hoogte van mijn kont. Blijkbaar wordt er hier gehandeld zonder enige samenspraak, want het blijft niet bij die ene mogelijk door de rand van een ongelukkig geplaatst nachtkastje veroorzaakte deuk. Al snel volgt er een reeks opeenvolgende en van kaliber verschillende stoten richting mijn achterste, die zo ook de cadans aangeven waarin onze beide lijven, die ondertussen verstrengeld heten, en occasioneel ook even het bed op mee gedijen. Nog net kan ik het geplande gegil vervormen tot hartstochtelijk gekreun en wordt de pijn schijnbaar vervangen door genot.

Zo gaat het nog zeker twintig minuten door, met af en toe een kleine rustpauze, tot ik duidelijk voel dat er naar een hoogtepunt wordt gewerkt. Niet enkel wordt het ritme opgedreven, maar schakelt de man waarvan ik me tegen dan de naam niet meer kan herinneren over van kreunen op gillen. Ik heb bijzonder weinig nodig om daarin mee te gaan, en zo kan ik eindelijk de pijn uitschreeuwen. Heel even, want na nog geen halve minuut houdt hij het alweer voor bekeken en laat zich zwaar ademend in het tijgervel vallen. Met graagte volg ik zijn voorbeeld en zo liggen we roerloos naast elkaar, hijgend en puffend met zijn identiteitskaart tussen ons in.
‘Moet jij geen post meer bezorgen vandaag?’ vraagt hij na een tijdje.
In de zucht die ik daarop slaak meent hij een bevestiging te herkennen, hoewel dat misschien wel alles behalve is wat ik wil uitdrukken, en gooit me mijn bodywarmer toe. Ik denk mezelf te vermannen, sta op en kleed me in stilte aan. Van dat moment maakt hij gebruik Celine Dion, die naar haar gewoonte boven alles uit was blijven zingen om te wisselen voor de Spice Girls, wat ook voor mij de andermaal wel door mij obligaat bevonden intimiteiten achteraf overbodig maken. Ik besluit het huis zo snel als mogelijk te willen verlaten, zonder nummer van de identiteitskaart, handtekening of welke herinnering dan ook.

Op het einde van de straat bel ik het meisje waartegen ik daarnet nog had gesproken dat hij de man van mijn leven zou worden na de overhandiging van het pakje. In de hoorn begin ik vreselijk hard te lachen, en nadat ik bedenk dat er geen volzin zou volgen sluit ik maar af. Echte vrienden hebben geen woorden nodig, moet zij zich maar herinneren. Tegen een muurtje gezeten maak ik het pakje dat ik uiteindelijk ook vergat achter te laten open. Nog meer tijgermotief, voor op de wc-bril en de spuugwitte vleugel.

Geen opmerkingen: