vrijdag 4 juli 2008

Op de post (5)

De eerste week zit er op. Ik nam me al een tijdje voor een kalender te maken waarop ik de dagen met dikke rode stift kon afstippen, zoals het hoort dus, maar de energie ontbreekt me voor zo’n project. Ook neemt het gelijkaardige turven in mijn hoofd proporties aan die een stuk karton dat dat procédé zou kunnen bevestigen overbodig maakt. De laatste dag van deze week – waarop ik zogezegd alles al zelf zou moeten doen – begon bijzonder onheilspellend. Na mijn dagtaak van woensdag had De Post al een brief ontvangen die melding maakte van een fout gebuste brief. Nou nou nou, dacht ik vooral, wat voor een leven moet je daarvoor hebben, maar met die instelling kom je er niet. Een strenge blik van mijn peter maakte mij duidelijk dat dat beter moest, de volgende keer.

Zo stond ik ook toen het gros van mijn leeftijdsgenootjes de eerste dag van Rock Werchter nog uitzat, brieven te sorteren alsof mijn leven er vanaf hing. Mijn peter had zijn rol vandaag beperkt tot kijken naar hoe ik dat deed, omgekeerd naar zoals we maandag waren begonnen. Mits fors gewijzigde omstandigheden had mij dat misschien wel wat gedaan, maar ik heb zo het gevoel dat alle emoties stilletjes aan uit mijn lichaam aan het verhuizen zijn. Wat over blijft is een dof gevoel van vermoeidheid, waar enkel de tekeningen van Peter Van Straaten tegenop lijken te kunnen. Na een week slaag ik er zo niet meer in vijf achtereenvolgende pagina’s van een roman te lezen, wat ik bijzonder zwaar oppak. Enkel ’s ochtends voor ik naar het postkantoor vertrek, staat er even klassieke muziek aan, waar in ik zo intens mogelijk van probeer te genieten. ’s Avonds raak ik niet meer verder dan radio donna, wat eveneens een slag in mijn gezicht is.

Wel ben ik vandaag begonnen met fantaseren over wat ik de laatste dag en daarna zal doen. Wat meteen na het posten van mijn laatste brief betreft, twijfel ik nog tussen in huilen uitbarsten (dat zou dan de eerste keer moeten zijn – gerelateerd aan het postwezen welteverstaan – maar ik sluit niets uit) of de hele zooi verrot schelden. Dat laatste wint het meestal, omdat ik zo wat voor te bereiden heb tijdens de arbeid. De vrouw die mij vandaag kwam zeggen dat de koffie betalend is, zal het zo bijvoorbeeld danig moeten ontgelden. Zoiets doe je niet.

Los daarvan moet gezegd dat de hoeveelheid te bezorgen post vandaag bijzonder goed meeviel. Als die trend zich doorzet – wat mij door verscheidene sujetten al werd verzekerd – zal ik vanaf volgende week mijn taak misschien maar twee uur later dan voorzien kunnen afronden, wat een godengeschenk zou zijn. Ik heb me wel plechtig voorgenomen netter om te gaan met die rotzooi, en zoveel als mogelijk de juiste bucht in de juiste bus te deponeren. Het lijkt me toch onmogelijk dat ik het op die manier zo bont maakt dat men mij op staande voet ontslaat. Doet die mogelijkheid zich desondanks toch voor, doe ik misschien een gooi naar de slechtste postbezorger ooit. Concurrentie in deze krijg ik dan wel van een man (uit een ander kantoor) die er een gewoonte van had gemaakt de nacht in een café door te brengen en meteen daarna naar zijn arbeidsplek te verkassen. Een man naar mijn hart.

Een weekend, zo gaat het gerucht de ronde, moet gevierd. Ik lag daarentegen al de hele middag met rugpijn en een verkoudheid plat en maak me op die positie zoveel als mogelijk vol te houden de komende twee dagen. Voor ik het weet, breekt maandag aan, en daarmee ook een schijnbare hel. Aan het geld denken, wat ik door zowat iedereen wordt opgedragen te doen, lukt niet meer. De miserie is totaal, sms’te ik vandaag iemand die me dat adviseerde, waarmee ik nog steeds veel meer dramahoer ben dan postbode. En dat wens ik zo te houden.

Geen opmerkingen: