Mijn eerste week zit er op. De Vlaamse feestdag leek me een uitgelezen moment om eens te peilen hoe de mensen hun postbestelling van de afgelopen tijd hebben ervaren. Niet enkel omdat er vandaag belachelijk weinig te bestellen goed was, maar ook omdat het sinds lang nog eens mijn hele ronde droog bleef.
Wat een aangename verrassing! Aan het eerste huis, waar ik maar heel lichtjes durfde aanbellen, doet een klein meisje de deur open.
“Ik ben de postbode,” zeg ik naar waarheid.
Nog voor ik een vraag kan stellen loopt het meisje terug het huis in. Even blijft het stil en ik denk eraan terug op te stappen en het gehele plan te staken. Tot daar naast het weggelopen meisje nog twee andere kinderen en hun vermoedelijke moeder in de deurpost verschijnen.
“Wat ben ik blij u eens te zien,” zegt die laatste, “de kinderen hebben deze week voor u geknutseld.”
En inderdaad. Alle drie houden ze een uit kartonnen afval opgetrokken brievenbus vast, versierd met glittertjes, sterretjes en ander vrolijks.
“Is dat allemaal voor mij?,” vraag ik speels. De kinderen knikken enthousiast en duwen de geschenkjes in mijn handen.
Door dit eerste bezoek moed ingesproken, bel ik al snel bij een tweede deur aan. Niemand geeft thuis, maar ik zie wel een enveloppe aan de deur hangen.
“Beste postbode, wij willen u van harte bedanken voor het geleverde werk. Uw nieuwe kijk op het postwezen, geeft ons weer kracht en energie om ook ons eigenlijk leven terug aan te pakken. Bedankt.” 50 euro is mijn deel.
Nog niet bekomen van deze ietwat vreemde mededeling, zie ik al een vrouw naar me toe komen gelopen. In het ene hand draagt ze een fles whisky, in het andere een glas dat ze onderweg omstandig probeert te vullen.
“Facteur! Facteur!” roept ze druk, hoewel ik geen aanstalten maak te vertrekken.
De vrouw druk me tegen haar boezem aan, en duwt me daarna het glas in de handen.
“Hier, voor u,” spreekt ze, “dat heb je wel verdiend.”
Zo ontmoet ik nog de hele voor- en vroege namiddag mensen van allerlei slag. Allemaal proberen ze op hun eigen manier hun blijdschap uit te drukken over de nieuwe postbode. Nog steeds met stijgende verbazing durf ik het aan iemand te vragen waarom ze nu precies zo opgetogen zij met mij als postbode. Daarvoor kreeg ik toch enkel klachten en opmerkingen.
“U brengt ons weer samen,’ kirt de vrouw, “u doet deze wijk weer helemaal open bloeien.”
“Hoe doe ik dat dan precies?”
“Door werkelijk alles verkeerd te posten,” lacht ze.
Nu begrijp ik er helemaal niets meer van.
“U verplicht ons weer met elkaar te praten, meneer de postbode.”
“We moeten wel, anders raken we nooit aan onze post,” valt iemand haar in de rede.
“De sociale cohesie is in deze wijk nog nooit zo sterk geweest sinds u hier de post rond draagt. Ik ontmoet mensen waarvan ik niet wist dat ze in mijn straat wonen. Mijn dochter is zo al aan een lief geraakt van bij ons achter de hoek.”
“En ik heb een minnaar dankzij u!” roept iemand net iets te hard.
Zo gaat het nog even door. Steeds meer mensen komen rond me staan om mij te bedanken voor mijn verdiensten. Op handen word ik terug naar het postkantoor gedragen alwaar onthuld wordt dat men binnenkort een postzegel met mijn beeltenis erop zal drukken.
Moe maar wel erg voldaan keer ik huiswaarts. Of hoe ik tegen wil en dank de Geena Lisa van E. werd.
zondag 13 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten