(Na een hele dag te zijn ondergedoken in de dromen die Barack Obama voor ons vangt, is de zieke Wetstraat even helemaal vergeten en kan er weer over wat anders geschreven.)
Gisteren was Freek De jonge op de teevee. Hoewel alweer 64 geworden in augustus (leeftijd is de meest banale wetenswaardigheid als het over echt talent gaat), maakte hij ook dit jaar weer twee voorstellingen. De ene ging over sport en liet ik vorige week met een onbestemd jammerlijk gevoel passeren wegen een geheel gebrek aan voorkennis, de andere was gisteren te zien bij de VPRO. De laatste lach. Een voorstelling die – hoewel de naam anders doet vermoeden – het begin vorm van een heuse cyclus. Freek De Jonge (enkel zijn achternaam klinkt te streng, enkel zijn voornaam durf ik nog niet) probeerde hiermee weer greep te krijgen op de kleinere zalen. Hij speelde ermee enkel in Amsterdam, ik ga door de band – uit luiheid, weet ik ook wel – enkel kijken in Gent en Antwerpen. Wederom hulde aan de VPRO, dus.
Over zijn meer dan twee uur durende voorstelling valt maar weinig te zeggen. Net als alle anderen die ik mocht zien, was ze weer geweldig. Freek op zijn best, zoals gewoonlijk. Hoewel ik hem in interviews niet steeds kan volgen (Waarom wil hij nou in godsnaam nog gitaar leren spelen en dat dan gaan demonstreren bij Matthijs Van Nieuwkerke?), is hij op scene steeds weer onklopbaar. Veel hoogdravends valt daar ongetwijfeld over te vertellen, maar in de eerste plaats blijft hij gewoon ontzettend geestig. Hij blijft zichzelf (en zijn onderwerpen) ook vernieuwen, waardoor hij nooit vervelend wordt. Spelend valt er geen leeftijd te plakken op de man, en als dat al zou moeten is hij alleszins jonger dan ik. Eveneens staat hij na al die jaren nog steeds zijn mannetje in het publieke debat, waar hij één van de weinigen is die niet geruisloos opgaat in het veilige centrumdenken. Kostbaar goed.
Nou schrijf ik niet zo erg vaak dit soort lofbetuigingen. Het gaat me ook niet zo erg goed af. Zonder afbreuk te willen doen aan het kunnen van Freek De Jonge, lijken het ook meer ergernissen te zijn die mij drijven naar dit schrijven. Alweer, waarvoor mijn excuses. Zolang ik deze zin neer schrijf, twijfel ik overigens waar ik het dan wel precies over wil hebben. En plein public, dan wel. Twee verschijnselen komen in aanmerking, en halen dan ook maar meteen de eindstreep. Het eerst gaat makkelijk. Vlaamse stand-up comedy. Ik zag een tijdje geleden een gesprek waarin Patrick De Witte zichzelf de prestatie aanmat nieuw talent in deze sector naar boven te hebben gespit. Ik vroeg me af over wie hij het had. Nog voor comedy casino opende, had Wim Helsen zijn broodjes al in Nederland gebakken. Op enkele losse flodders na, lijkt me dat voldoende wat het Vlaamse landschap betreft. Dat ligt misschien wel aan het compleet irrelevante gegeven dat ik geen hoge pet op heb van comedy. Grappen om te grappen, ik hou er meestal enkel een wrang gevoel aan over. Taal wordt herleid tot een zuivere technische aangelegenheid – want dat is stand-up comedy – en enig maatschappelijk engagement wordt meestal ontlopen ten baten van een lekker bekkende punchline. Maar daar gaat het niet om. Even goed ben ik enkel vreselijk jaloers op zij die dat talent wel hebben. Het gaat me om de manier waarop ze met taal omspringen. Aangezien inderdaad maar weinigen het zuivere talent gegeven is, vluchten velen in een taaltje wat zij gemakshalve voor Nederlands aanzien. De rotzooi waarvan men zich in reclamespots maar al te vaak bedient, blijft nog ruime lengtes achter liggen, hoewel er soms iemand nadert. (Ik heb het nu niet over Philippe Geubels, mocht iemand dat denken.) De idee dat er humor schuilt in het fout gebruik van Nederlands, viert steeds vaker hoogtij bij komieken die algemeen beschouwd een meerwaarde met zich mee dragen. Armoeiig. Een eerste vergelijking met Freek De Jonge dringt zich op. Zijn grappen zijn in de eerste plaats meer onderlegd, maar ze worden bovendien uitgesproken in een foutloos algemeen Nederlands. Alleen staat hij daarmee bovendien helemaal niet. De meeste cabaretiers boven de Moerdijk brengen hun materiaal door de band nog steeds in een bekende AN waar wij in Vlaanderen steeds vaker een puntje aan kunnen zuigen. Mocht er geen succes mee te oogsten zijn, zou het niet opvallen. Een simpel gebrek aan talent blijft echter steeds vaker overeind door een loopje te nemen met de Nederlandse taal.
Een tweede struikelbok waar men tegenwoordig over moet wil men aan amusement toe komen, is musical. Maakte ik me zonet bij sommige leeftijdsgenoten hopeloos impopulair, probeer ik het goed te maken door enkele rake klappen uit te delen aan deze sector. Is anders een moeilijke zaak voor mij. Ik ben een nicht en dus ligt het haast in mijn genen besloten dat ik hou van dansende en zingende mannen in nog steeds al te strakke pakjes. Ik kan me hopeloos verliezen in een goed uitgevoerde maar daarom niet minder goedkope choreografie. En ook eerlijkheidshalve heb ik het wel eens opgenomen voor de musical. Het blijft een medium, net als een boek of compositie, waar iedereen naar eigen goeddunken zijn zin mee kan doen. Hoe dan ook kan iedereen zich wel wat voorstellen bij het soort musical waar ik maar al te graag komaf mee zou maken. Op tweede kerstdag weidde de AVRO er meer dan anderhalf uur aan in de kerstuitzending van hun zoektochten naar ene Joseph en een Evita. Sfeer zou er zijn, had iedereen zich duidelijk vooraleer de opnames begonnen voorgenomen. Dat wel. Omdat ook ik me niet de volle drie minuten ledig kan houden met gewiekste danspasjes die ik enkel net voor een dodelijk accident gemaakt zou kunnen krijgen, was er ruim tijd om te kokhalzen vanwege de fake die er overal vanaf druipt. Ook van Freek – degene die nu voor Joseph doorgaat, eveneens zonder achternaam – geloof ik geen ene moer als hij zingt over hoe kil en koud het wel niet is zonder Brigitte a.k.a. Evita. (De naamgenoot van De Jonge leek de wedstrijd op het eerste zicht nou eenmaal gewonnen te hebben omdat hij het lekkerste ding was. Daar ga je dan met al je voorgewend talent.) Ik kreeg tijd om zowaar twee theorieën te ontwikkelen omtrent het maken van een gemiddelde musical. Enerzijds raakte ik er van overtuigd dat de blik die de musicalsterren aan het begin van een nummer op hun gezicht hebben staan, en meestal ook voor de hele duur aanhouden, er al in de coulissen wordt in geboetseerd. Keuze daarbij, vervolgt de redenering, heb je uit ongeveer vier standen. Blij, droevig, kwaad en verliefd. Tot die vier emotietjes kan je het hele wereldje terug brengen. Meer is er niet aan. De attributen en hoogst indrukwekkende decors doen de rest.
Zoals gezegd ben ik daar best gek op. Als ze alle vier maar met genoeg panache worden gebracht, zijn musicals om duimen en vingers bij af te likken. Entertainment van de bovenste plank, zoals vaker dan nodig geafficheerd. Meer is het ook niet. Net als Vlaamse comedians ontlopen ook zij geheel en al een maatschappelijk engagement. Hoewel ruimte genoeg, ontbreekt het zowat elke musical aan een noemenswaardige inhoud. Het medium raakt meestal niet verder dan het bevestigen van eeuwige stereotypes waar op andere fronten hartstochtelijk tegen gevochten wordt. Het is bedroevend te zien dat een wereld die draait op nichten er haar missie van lijkt te hebben gemaakt om – pakweg – het huwelijk tussen man en vrouw als preferabel in de markt te zetten. Ik klink misschien als een ouwe tante, maar dat doet soms een beetje pijn, hoor. Aandachtsgeile jongens gooien hun eigen ruiten in om toch maar dat ene rolletje te mogen spelen. Los daarvan vind ook ik het heerlijk mij te verliezen in prinsen, slechte heksen en kandelaars, maar vanaf je met iets op een scene gaat staan mag er toch wel een minimum aan effectief engagement wat de inhoud betreft worden verwacht. Ook daarin verschilt Freek De Jonge haast legendarisch. Als hij een voorstelling speelt, geloof je hem tot op het laatste woord. Tegen de noodzaak waarmee hij zijn teksten brengt is niemand gewapend. Hij dwingt je na te denken, hij dwingt je zekerheden terug in overweging te nemen enkel en alleen door de overtuigingskracht waarmee hij ze uitspreekt. Nog grootser wordt dat als je hem vergelijkt met de hapklare brokjes musical die niet de minste moeite doen wat dan ook in vraag te stellen.
Ook in het gesubsidieerde circuit, viel er dit seizoen overigens nog niet veel opzienbarends te zien (God, wat doe ik graag de pedante lul!), maar ik sta er nog steeds pal achter. Uit noodzaak.
zaterdag 27 december 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten