De boekenbeurs is ten einde. De meute trekt zich terug en boeken kunnen weer in de eerste plaats over literatuur gaan.
Dan boor ik het onderwerp nog maar eens aan. Daar voel ik me overigens enkel toe geroepen als ik een bijzonder slecht boek heb gelezen. Mooie passages in de literatuur deel ik wel mee met anderen, maar die lijken vaak veel vluchtiger dan de gebrekkige. Veel heeft dat natuurlijk te maken met een pose, eentje die aan een zoekende dandy doet denken. Anderzijds wil ik ook wel gezegd hebben dat deze tic perfect samengaat met mijn liefde voor literatuur. Net als bij een slecht stuk theater, voel ik me persoonlijk aangevallen als ik wat doorlees dat wat mij betreft amper door de beugel kan. Het idee heerst dan dat het niet om verschillende smaken gaat maar om een totaal gebrek aan kunde. Natuurlijk heeft het er ook mee te maken dat het hier om een debutant gaat. De zekerheid dat ik het beter kan, ligt dan nogal snel op de loer. Bij deze.
Paul Baeten Gronda heet de schrijver. Voorafgaand aan zijn debuut had hij al een hele tijd een column lopen in De Morgen. Die had ik nog nooit gelezen waardoor de verwachtingen elke week konden oplopen. Ik had daarom besloten zijn debuut te lezen nog voor de auteur nogal wat aandacht kreeg in de pers en zijn boek zowaar in etalages kwam te liggen. De aantrekkingskracht die uit zijn dubbele voor- of achternaam (dat weet je eigenlijk nooit) spreekt mag in deze ook niet worden onderschat.
Ik heb Nemen we dan samen afscheid van de liefde helemaal uitgelezen. Moeilijk was dat nou niet. Dun boekje. De grootste fout die je tegenwoordig als debutant kan maken is een dik boek schrijven. Dan kan je het vergeten. Anders heb je goeie kansen. Mooi zijn helpt ook. Ik lijk wel rancuneus. De titel doet enige gelijkenis met het werk van Arnon Grunberg vermoeden, die ook in stukken over het boek aan bod kwam. Misschien wil ik wel per se wat gezegd hebben over deze roman om die gelijkenis op elke mogelijke manier te ontkrachten. Waar Grunberg de Nederlandse taal tot in de finesse beheerst, blijft Gronda (ik waag het erop) steken in een pubertaaltje van heb je me daar. De leegte die scheldwoorden eigen zijn wordt moeiteloos onder de mat geschoven waarna ze veelvuldig als beschrijving van personen worden gebruikt. Armoeiig, heet dat. De verveling die daarbij komt opzetten krijgen we er zomaar bij. Wel handig natuurlijk. Je daarbij verstoppen achter het hoofdfiguur is natuurlijk maar al te simpel. Wie een boek schrijft in de eerste persoon enkelvoud en als personage een buitengewoon oninteressante jongen neemt, krijgt daarmee geen vrijbrief voor buitengewoon oninteressant taalgebruik.
De vraag waarom het verhaal van die jongen dan moest worden verteld, dient zich zo ook aan. Ik zou het bij god niet weten. Het nihilisme dat van dit boek afdruipt, komt dan ook nog niet tot aan de enkels van dat van Grunberg. Die laatste slaagt erin dat zodanig te integreren in de hedendaagse samenleving dat een werkelijke visie wordt. Veel meer dan een pose. Nieuwe inzichten die onderzocht moeten worden komen zo aan het oppervlak. Daar kan je niet omheen. Gronda blijft steken in de beperkingen van een puber. Daar is op zich ook al niets mis mee maar dan wordt de manier waarop je dat beschrijft des te belangrijker. Niet dus. Hij vlucht dan maar in dramatische voorvalletjes waar het hoofdpersonage dan zo luchtig mogelijk over heen kan gaan. Max woont in een hotel, zijn moeder en vader zijn gescheiden, moeder heeft een akelige vriend, vader raakt aan lager wal, vader springt uit het raam, broer is gek, vrienden heeft hij amper en aan liefde lijkt hij ook al niet toe te komen. Dat gaat er allemaal in als zoete koek. Alleen de dood van zijn jongere broer die over het hele verhaal hangt, lijkt hem wat te doen. Daar heb je je gevoelens. Dat ligt er dan weer zo dik op dat een stationromannetje plots een welgekomen afwisseling lijkt.
Een cultboek. Op meer valt er niet te hopen.
woensdag 12 november 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten